Pyrotechniek

Artikel: Duizend bommen en granaten, discussieverslag VPT-dag
Artikel: Besluit: vuurwerk eruit
Artikel: Deskundig toezichthouder en de VPT
Artikel: Six Flags-bijeenkomst over special effects, veiligheid en crowd control
Pyrotechniek

Voor het gebruik van vuurwerk gelden regels ten aanzien van brandveiligheid die (nu nog) door de plaatselijke overheid (brandweer) worden vastgesteld. Hoewel die in grote lijnen overeen  komen kunnen plaatselijk verschillen voorkomen in te nemen maatregelen. De Woningwet schrijft voor dat gemeenten voorschriften over brandveilig gebruik van bouwwerken moeten opnemen in de gemeentelijke bouwverordening. Deze voorschriften verschillen per gemeente. Het ‘Gebruiksbesluit brandveilige bouwwerken’, kortweg het Gebruiksbesluit genoemd, treedt naar verwachting halverwege 2008 in werking. In het Gebruiksbesluit worden de brandveiligheidseisen voor iedereen in elke gemeente gelijk.

Vakbekwaamheid vuurwerkdeskundigen

Per 1 maart 2002 zijn er eisen aan de vakbekwaamheid van ‘vuurwerkdeskundigen’ gesteld. Zo moeten zij naast hun eigen veiligheid ook de veiligheid van het publiek bij het afsteken van professioneel vuurwerk (bijvoorbeeld in het theater of bij een groot evenement) kunnen waarborgen. Om hun certificaat van vakbekwaamheid te behouden, moeten zij hun vaardigheden aantoonbaar blijven bijhouden. Om dat na te gaan wordt de werkervaring van vuurwerkdeskundigen voortaan geregistreerd. Professioneel vuurwerk mag alleen worden bewerkt en afgestoken door een deskundige die een ‘certificaat van vakbekwaamheid’ heeft. Ook is vastgelegd dat bij het afsteken van professioneel vuurwerk vooraf een werkplan gemaakt moet zijn. In de arbeidsomstandighedenregeling is vastgelegd wat de eisen zijn waaraan de vakbekwaamheid van de deskundige en het werkplan moeten voldoen.

KIWA verstrekt de vuurwerkdeskundigen na afronding van hun opleiding het verplichte certificaat van vakbekwaamheid. Er wordt een onderscheid gemaakt in twee soorten certificaten: een certificaat ‘groot vuurwerk’ voor evenementen en een certificaat voor speciale effecten met vuurwerk in theater of film. Voor meer informatie kunt u terecht op de webpagina van het KIWA: www.vuurwerkbedrijven.nl.

Meer informatie:

[Fernsehen, Hörfunk und Film Pyrotechnik in Veranstaltungs- und Produktionsstätten für szenische Darstellung]
BGI 812 – SP 25.1/4 Verwaltungs-Berufsgenossenschaft Januar 2002

 

 

Besluit: vuurwerk eruit

Radicale veiligheidseisen leiden tot culturele verschraling

Uit: Zichtlijnen 75, 2001

Coen Jongsma 

Na de vuurwerkramp in Enschede is een zeker reinigingsproces met betrekking tot vuurwerk wel op zijn plaats. Regels waren er allang, maar aan een gecoördineerd beleid en een goede handhaving en controle ontbrak het. Met het onlangs voorgestelde Vuurwerkbesluit lijkt het ministerie van VROM echter door te schieten in een venijnige duiveluitdrijvingssessie waarin de hele vuurwerkbranche ten onder zal gaan. Voor het theater kan het besluit leiden tot een volledig verdwijnen van de toepassing van pyrotechnische effecten.

De ontploffing bij SE Fireworks in mei vorig jaar die een deel van de binnenstad van Enschede verwoestte heeft niet alleen vergaande gevolgen gehad voor de slachtoffers en hun nabestaanden en voor de stad. Ook de vuurwerkbranche heeft te maken gekregen met de vragen die door deze ramp zijn opgeroepen en met de roep om een beter (en vooral: een beter gecoördineerd en gecontroleerd) beleid. De vuurwerkhandelaren en -producenten zagen zich geconfronteerd met dramatische omzetverliezen; ze werden bovendien onderworpen aan allerlei controles door tientallen direct en zijdelings betrokken instanties. Er leek een zekere paniek toe te slaan in handhavingsland. Het ministerie van VROM beloofde een einde te maken aan de ondoorzichtige regelgeving.
Eind februari is het ontwerp-Vuurwerkbesluit van Minister Pronk door het kabinet goedgekeurd. Het moet nog door de Tweede Kamer bekrachtigd worden. De bedoeling is dat het op 1 februari 2002 in werking zal treden.
De pyrotechnische bedrijven krijgen twee jaar de tijd om zich te schikken naar de nieuwe regels. En het zijn strenge regels. Bij het opstellen ervan werd niet uitgegaan van de risico’s (kans x effect) die aan vuurwerk verbonden zijn, maar is de nadruk volledig gelegd op de effecten van een calamiteit. Verschillende deskundigen hebben het vuurwerkbesluit bestempeld als natte vinger-werk, drijvend op emoties in plaats van feiten.
Op grond van de eisen die in het concept-besluit worden geformuleerd ten aanzien van veiligheidsafstanden, opslag, transport en gebruik is het onwaarschijnlijk dat er na inwerkingtreding van dit Vuurwerkbesluit in Nederland nog een bedrijfstak voor professioneel vuurwerk zal bestaan. Dit blijft niet zonder gevolgen voor de theaterwereld want alle in het theater toegepaste pyrotechnische effecten vallen onder de regels voor professioneel vuurwerk.

Verdwijnen

Tussen de 120 minuten brandwerende muren van het bedrijf De Vierde Dimensie in het Amsterdamse havengebied geeft Frans Arntz zijn mening over het vuurwerkbesluit. Zijn elf jaar geleden opgerichte bedrijf is de grootste leverancier en uitvoerder van pyrotechnische effecten voor de theaterwereld. Arntz is tevens voorzitter van de vorig jaar opgerichte branchevereniging voor Professioneel Vuurwerk, Pyrotechniek en Toepassingen. ‘We zijn ontzettend blij met een Vuurwerkbesluit. Dat zeg ik zonder enig voorbehoud. Toezicht en handhaving waren sterk versnipperd. Ze vielen onder Verkeer en Waterstaat en nog een groot aantal diensten, maar die wilden er vanaf. De verantwoordelijkheid hoort natuurlijk onder VROM te vallen, maar die hebben het jarenlang laten liggen. De regels in Nederland waren de strengste van Europa, maar eenduidig of doorzichtelijk waren ze niet. Zo is mijn bedrijf sinds de vuurwerkramp bezocht door vijfendertig controleurs van achttien verschillende instanties. We nemen het onszelf als branche ook kwalijk dat we niet eerder zelf met voorstellen zijn gekomen, want wat we nu voorgeschoteld krijgen is absoluut rampzalig. Dit besluit is voor ons onaanvaardbaar. Het komt erop neer dat de vuurwerkbranche in zijn totaliteit moet verdwijnen.’
Wat Arntz dwars zit is dat er geen onderscheid gemaakt is tussen de verschillende soorten professioneel vuurwerk. De onderbouwing van de bepalingen ontbreekt en bij de totstandkoming van het besluit is veel bestaande deskundigheid genegeerd. De ondernemers in de branche worden, zo is zijn indruk, beschouwd als criminelen en ook zij zijn niet gehoord.

Classificering

Voor het transport van vuurwerk is er een algemeen geldend classificatiesysteem van de Verenigde Naties. Het zwaarste, massa-explosieve vuurwerk valt volgens deze classificatie in klasse 1.1. Massa-explosief wil zeggen dat door de drukgolf van één ontploffende verpakkingseenheid ook andere verpakkingseenheden tot explosie kunnen worden gebracht. De aanwezigheid van dit soort vuurwerk was de oorzaak van de vernietigende kracht van de explosie in Enschede. De lichtste categorie is klasse 1.4. Het veiligheidsrisico van vuurwerk uit deze categorie behelst niet meer dan brand en warmteontwikkeling. Consumentenvuurwerk behoort tot klasse 1.4.
In het vuurwerkbesluit is voor het gemak al het professionele vuurwerk ingedeeld in klasse 1.1. Dat heeft niets te maken met het reële gevaar dat podiumvuurwerk oplevert. De explosieve kracht en de effecten van podiumvuurwerk zijn vergelijkbaar met consumentenvuurwerk en dit vuurwerk zou dus in klasse 1.4 moeten vallen. De gebruikte hoeveelheden zijn klein. Podium- en indoorvuurwerk wordt voornamelijk geproduceerd in Amerika, Engeland en Duitsland en uitgebreid getest op effect, betrouwbaarheid en toxiteit. Het is in het algemeen van hogere kwaliteit dan het in China geproduceerde evenementenvuurwerk.
De VN-classificatie geldt voor vuurwerk in de transportverpakking van de producent. Zodra één eenheid uit die transportverpakking wordt genomen, ook al is het een klein flitseffectje van de allerlichtste categorie, is formeel niet meer vast te stellen in welke klasse het valt. Niet geclassificeerd vuurwerk mag niet vervoerd worden. Daarom hebben de opstellers van het vuurwerkbesluit besloten dat al het professionele vuurwerk van klasse 1.1 is, waarvoor de zwaarste voorzorgsmaatregelen gelden.
‘Uit dit soort tegenstrijdige beslissingen blijkt de ondeskundigheid en de onwil,’ stelt Arntz. ‘Voor een show gebruik je niet 36 effecten van dezelfde kleur. Uit verschillende dozen haal je wat je nodig hebt, daarvan maak je een pakket dat naar de locatie gaat, maar daarmee is het niet opeens een massa-explosief geworden.’
De doodsteek voor de vuurwerkbranche zijn de voorgeschreven veiligheidsafstanden. Voor de bedrijven die consumentenvuurwerk invoeren en opslaan is 20 meter tot ‘kwetsbare objecten’ voldoende. Tot de kwetsbare objecten wordt bebouwing, recreatietereinen, rijkswegen en de spoorwegen gerekend. Jaarlijks wordt zes miljoen ton consumentenvuurwerk ingevoerd.
Maar voor bedrijven die meer dan nul kilogram professioneel vuurwerk opslaan wordt een minimale afstand van 800 meter tot de kwetsbare objecten verplicht. Meer dan zesduizend kilo opslaan is niet toegestaan en een bedrijf met een bezigingsvergunning moet een verzekering afsluiten met een dekking van elf miljoen gulden. Aan deze eisen kan geen enkel bedrijf voldoen. In het vuurwerkbesluit wordt voorzien dat er van de ongeveer zeventig pyrotechnische bedrijven er ongeveer tien kunnen overblijven, en die zullen gigantisch moeten investeren.

Hoofd- en subvergunninghouders

Zelfs al weten er een paar bedrijven te overleven, in theaterproducties zal na invoering van de voorgestelde regels waarschijnlijk geen vuurwerk meer te zien zijn. Pyrotechnische effecten, hoe onschuldig ook, mogen alleen nog worden afgestoken door gecertificeerd personeel. De Nederlandse regels gaan verder dan die in het buitenland. Daar zijn verschillende categorieën vrijgesteld en is het toezicht van de toneelmeester een voldoende waarborg voor de veiligheid. Op het moment is er in ons land geen opleiding waarmee het certificaat van vakbekwaamheid verkregen kan worden; buitenlandse diploma’s zijn ongeldig verklaard.
Arntz wil met de branchevereniging niet alleen een beroepsopleiding opzetten, maar ook een systeem voorstellen van hoofdvergunninghouders en subvergunninghouders. ‘De hoofdvergunninghouder moet aan de zwaarste eisen voldoen, wat betreft opleiding, inrichting, voorzieningen, materialen en procedures en mag vaak gecontroleerd worden, maar dan moet er ook het vertrouwen zijn om normaal te kunnen werken.’
De hoofdvergunninghouder moet aan een producent of gezelschap een subvergunning kunnen verstrekken voor een of meer producties.
Op de locatie waar het vuurwerk nodig is, mag vanaf volgend jaar niet meer dan tien kilo vuurwerk aanwezig zijn en opslaan in het theater, ook tijdelijk, is volledig uit den boze, want wie meer dan nul kilo vuurwerk opslaat, moet zich immers houden aan de minimale veiligheidsafstand van 800 meter tot kwetsbare objecten. Voor een langlopende productie zal het noodzakelijk zijn om het benodigde materiaal dagelijks aan te voeren. Over de risico’s in het verkeer zwijgt het Vuurwerkbesluit.

Geen bezwaar

De bevoegdheid om toestemming te verlenen voor het afsteken van professioneel vuurwerk valt in het voorstel niet meer aan de gemeente toe, maar aan de provincie. ‘Dat is een heel verstandige beslissing,’ zegt Frans Arntz met nauwelijks ingehouden ironie. ‘De provincie is politiek ongevaarlijk. Je kunt ze niet direct aanspreken. Maar hoe de minister kan veronderstellen dat bij de provincie wel deskundigheid aanwezig is, is voor mij een raadsel. In de werkelijkheid kennen de gemeente en de gemeentelijke diensten veel beter dan de provincie de locatie, de instelling, de actuele omstandigheden en de mensen. Door “Enschede” is kennelijk iedereen die er ooit mee te maken heeft gehad, besmet verklaard. Maar ook vanuit praktisch oogpunt is het onwerkbaar. De trajecten worden heel lang. Een aanvraag zal door de provincie worden doorgestuurd naar de burgemeester van de gemeente waar het vuurwerk moet worden afgestoken. De burgemeester laat zich adviseren door de korpschef van de politie en de brandweer en eventuele andere diensten. Op grond van die adviezen geeft de provincie een verklaring van geen bezwaar. Je kunt je voorstellen dat er met die procedure enkele weken gemoeid zijn. In de huidige situatie kan het bij de gemeente binnen enkele uren geregeld zijn. Bij elke pyrotechnische actie moet op basis van wat wij het schietplan noemen, een volledige Risico-Inventarisatie en -Evaluatie overlegd worden. Voor leveringen moet volgens het vuurwerkbesluit achtenveertig uur van tevoren toestemming verleend worden. Als het Muziektheater nu opbelt omdat ze vanavond wat nodig hebben, mag ik dat pas over twee dagen leveren. Daarbij is er ook een bepaling opgenomen dat er niet meer dan acht uur op de locatie met vuurwerk gewerkt mag worden. Ook daarvan vraag ik me af op welke manier dat de veiligheid ten goede komt.’

Verschraling

‘Vuurwerk is geen primaire levensbehoefte,’ erkent Arntz, ‘en het is ook niet zo dat je er een gevaarlijke situatie voor mens en milieu moet accepteren. De politiek heeft nu het standpunt ingenomen dat het allemaal voor de lol is. Maar pyrotechniek heeft wel een zekere culturele waarde. Het effect ervan is niet op andere manieren te bereiken en het maakt deel uit van een ontelbare hoeveelheid binnen- en buitenlandse producties, van het kleinste toneelstukje tot de grootste mega-opera. Ik meen oprecht dat het onmogelijk maken van pyrotechniek in het theater een verschraling betekent van het Nederlands cultuuraanbod. Natuurlijk, het gebruik ervan brengt bepaalde risico’s met zich mee, maar je kunt er wel veilig mee omgaan en dan hoeven er geen ongelukken te gebeuren.’
Minister Pronk heeft zich onlangs laten ontvallen dat hij er wel voor voelt om de bepalingen van het vuurwerkbesluit voor álle gevaarlijke stoffen te laten gelden. Arntz beschouwt dat als een tactische blunder van formaat en ontleent er de hoop aan dat de Tweede Kamer op tijd zal inzien hoe overtrokken de voorgestelde regels zijn. ‘Dan zal de petrochemische en de chemische industrie van zich laten horen; dan moeten bijvoorbeeld alle lpg-stations 800 meter van de openbare weg verwijderd zijn – ik denk niet dat-ie dat er door krijgt.’

Pyrotechniek

Artikel: Duizend bommen en granaten, discussieverslag VPT-dag
Artikel: Besluit: vuurwerk eruit
Artikel: Deskundig toezichthouder en de VPT
Artikel: Six Flags-bijeenkomst over special effects, veiligheid en crowd control
Pyrotechniek

Voor het gebruik van vuurwerk gelden regels ten aanzien van brandveiligheid die (nu nog) door de plaatselijke overheid (brandweer) worden vastgesteld. Hoewel die in grote lijnen overeen  komen kunnen plaatselijk verschillen voorkomen in te nemen maatregelen. De Woningwet schrijft voor dat gemeenten voorschriften over brandveilig gebruik van bouwwerken moeten opnemen in de gemeentelijke bouwverordening. Deze voorschriften verschillen per gemeente. Het ‘Gebruiksbesluit brandveilige bouwwerken’, kortweg het Gebruiksbesluit genoemd, treedt naar verwachting halverwege 2008 in werking. In het Gebruiksbesluit worden de brandveiligheidseisen voor iedereen in elke gemeente gelijk.

Vakbekwaamheid vuurwerkdeskundigen

Per 1 maart 2002 zijn er eisen aan de vakbekwaamheid van ‘vuurwerkdeskundigen’ gesteld. Zo moeten zij naast hun eigen veiligheid ook de veiligheid van het publiek bij het afsteken van professioneel vuurwerk (bijvoorbeeld in het theater of bij een groot evenement) kunnen waarborgen. Om hun certificaat van vakbekwaamheid te behouden, moeten zij hun vaardigheden aantoonbaar blijven bijhouden. Om dat na te gaan wordt de werkervaring van vuurwerkdeskundigen voortaan geregistreerd. Professioneel vuurwerk mag alleen worden bewerkt en afgestoken door een deskundige die een ‘certificaat van vakbekwaamheid’ heeft. Ook is vastgelegd dat bij het afsteken van professioneel vuurwerk vooraf een werkplan gemaakt moet zijn. In de arbeidsomstandighedenregeling is vastgelegd wat de eisen zijn waaraan de vakbekwaamheid van de deskundige en het werkplan moeten voldoen.

KIWA verstrekt de vuurwerkdeskundigen na afronding van hun opleiding het verplichte certificaat van vakbekwaamheid. Er wordt een onderscheid gemaakt in twee soorten certificaten: een certificaat ‘groot vuurwerk’ voor evenementen en een certificaat voor speciale effecten met vuurwerk in theater of film. Voor meer informatie kunt u terecht op de webpagina van het KIWA: www.vuurwerkbedrijven.nl.

Meer informatie:

[Fernsehen, Hörfunk und Film Pyrotechnik in Veranstaltungs- und Produktionsstätten für szenische Darstellung]
BGI 812 – SP 25.1/4 Verwaltungs-Berufsgenossenschaft Januar 2002

 

 

Duizend bommen en granaten…

Forumdiscussie tijdens de algemene ledenvergadering 

Uit: Zichtlijnen 79, 2001

 
Zowel de ramp in Enschede, als aansluitend de dramatische oudejaarsavond in Volendam hebben grote gevolgen gehad voor de gehele professionele vuurwerkbranche. Ook het gebruik van pyrotechniek in het theater ontkwam niet aan herziening van de status quo. Niet alleen is rigoureus een einde gemaakt aan een zeker gedoogbeleid, maar ook in het nieuwe ontwerp-Vuurwerkbesluit is het gebruik van pyrotechniek op binnenlocaties (en dus in het theater) zwaar aan banden gelegd.

Aansluitend op de Algemene Ledenvergadering die op 4 september van dit jaar is gehouden had de VPT een forum georganiseerd omtrent de stand van zaken met betrekking tot het gebruik van pyrotechniek in het theater.
Frans Arntz van het pyrotechnische bedrijf De Vierde Dimensie beet het spits af, beginnend met een kort historisch overzicht van het ontstaan het Vuurwerkbesluit. Tevens vatte hij het vuurwerkbesluit kernachtig samen: ‘Alles kan, maar niets mag’ en: ‘Het is verboden, tenzij…’.

Het vuurwerkbesluit verdeelt al het vuurwerk in twee categorieën: consumentenvuurwerk en professioneel vuurwerk, waar een zogenaamde ‘bezigheidsvergunning’ voor nodig is. Consumentenvuurwerk heeft een zichtbare ontsteking, waarvan de duur in te schatten is (kortom een lontje) en de rest is professioneel vuurwerk. Gegeven het feit dat vuurwerk in het theater elektrisch wordt ontstoken, mag dat alleen worden afgestoken door iemand met een bezigheidsvergunning, die ook nog van de lokale overheid een ‘verklaring van geen bezwaar’ moet krijgen, nadat hij opgave heeft gedaan van plaats, tijdstip, hoeveelheid, gebruikte stoffen, ontstekend vermogen, druk-effect etcetera.

In de nieuwe situatie is er tot zover niets nieuws onder de zon. Er zijn echter een aantal regels veranderd of bijgekomen en het nieuwe vuurwerkbesluit is daardoor dusdanig aangescherpt, dat het afsteken van een bommetje in het theater bijna onmogelijk lijkt en in ieder geval zeer kostbaar gaat worden.
Ter illustratie somde Frans een paar veranderingen op:
– vuurwerk mag alleen worden opgeslagen in een opslagplaats met een milieuvergunning, waarvan de eisen dusdanig hoog zijn, dat alleen ‘ergens in Noord-Oost Groningen’ zo’n opslagplaats te bouwen is;
– aan tijdelijke opslag worden eveneens zo hoge eisen gesteld, dat in ieder geval in een theater tussentijds geen vuurwerk kan worden bewaard;
– in feite impliceert dat verder, dat voor een reizende productie dagelijkse aanvoer noodzakelijk is (ook al staat het stuk een maand in hetzelfde theater);
– tussen opbouw en afsteken mag maximaal acht uur zitten.

Tel hierbij op, dat voor elke locatie een aparte vergunning moet worden aangevraagd en het is verklaarbaar dat de toekomst voor theatervuurwerk tamelijk somber is.

Proefschot

De volgende spreker was Rob van de Puttelaar, in het dagelijks leven werkzaam bij de afdeling Preventie van de Brandweer Amsterdam, maar hier op persoonlijke titel aanwezig. Hij schetste zijn ervaringen en de manier waarop hij met dit soort zaken omgaat, in het bijzonder in de RAI.
Via een aantal stappen definieerde Rob het begrip ‘veiligheid’ als: ‘Veiligheid is de mate waarin wordt voorkomen dat de beschikbaarheid van handelen en middelen wordt aangetast’.

Op grond van deze stellingname worden de taken van de brandweer veel uitgebreider dan enkel het toezichthouden op het ‘moment suprème’.
Bijeen controle betreffende een aanvraag voor het afsteken van vuurwerk wordt uiteraard gekeken of er blusmiddelen aanwezig zijn, maar ook of er mogelijk uitbreidingen noodzakelijk zijn. Een vuurwerkfonteintje dat op het podium staat na te branden is effectief te blussen met een brandemmer en een dweil en geeft minder gevolgschade. Verder wordt er onder meer van tevoren gekeken naar de afstand van het publiek, de hoogte van het gebouw, hoe wordt het vuurwerk opgesteld en wat zijn er aan brandende materialen in de directe omgeving. Ervaring en vergaarde kennis zijn daarbij onontbeerlijk. Als voorbeeld noemde Rob de ‘line rocket’, waarbij al dit soort zaken nauwkeurig worden bekeken. Bij twijfel wordt om een proefschot gevraagd, dat helder de risico’s in beeld brengt.
Bij het bekijken van de directe omgeving wordt niet alleen gekeken of decors en doeken brandvertragend zijn, maar ook of misschien de ventilatie moet worden afgeschakeld om het verspreiden van rook door het gebouw te voorkomen. Zijn er in de nabijheid ventilatieroosters waar vonken in terecht kunnen komen? Misschien moeten die wel tijdelijk worden afgedekt. Zijn er in de nabijheid loopbruggen waar stofnesten zich kunnen ophopen?
Als je op die manier kritisch naar het gebouw kijkt, kom je vaak tot verrassende ontdekkingen.
Verder acht Rob het van groot belang dat ook de controlerende brandweerman of -vrouw goed op de hoogte moet zijn van de werking van vuurwerk en de consequenties daarvan en dat zij daarvoor een cursus moeten kunnen volgen die door een onafhankelijke instantie wordt gegeven. Artikel 8 van de Arbowet verplicht de werkgever sowieso om zijn werknemers voorlichting en onderricht te geven over de uit te voeren werkzaamheden.
Verder stelde Rob, dat als bij controle blijkt dat de vereiste papieren niet in orde of afwezig zijn, het afsteken van vuurwerk verboden wordt. Het handhaven van deze richtlijn geeft zijns inziens alleen maar duidelijkheid, ook naar de vuurwerkbranche. In dit verband verbaast het hem hoe vaak het voorkomt dat producties in de RAI voor het eerst met vergunningen worden geconfronteerd, terwijl ze al een tijdje door het land reizen. Tot slot wees Rob nog op het grote belang van een goed ontruimingsplan. Niet alleen of er voldoende vluchtwegen en dergelijke zijn, maar bijvoorbeeld ook of er voldoende BHV-ers en beslissingsbevoegde personen aanwezig zijn. En, niet minder belangrijk, zorg voor noodopvang buiten het gebouw, zorg ervoor dat de brandweer het gebouw goed kan naderen, zorg ervoor dat de brandweer wordt opgevangen en meer van dergelijke zaken. Het ontruimen houdt niet op als het publiek buiten staat.

Functionele definitie

De volgende spreker was Jos Franssen van PTE Europe. Hij ging in het bijzonder in op de definities van de verschillende soorten vuurwerk, de systematiek in het buitenland en de regelgeving omtrent samenstelling en transport. Zijn zeer uitgebreide verhandeling laat zich moeilijk samenvatten in het kader van dit verslag.
Wat maakt theatervuurwerk theatervuurwerk?
Allereerst is de locatie bijzonder door:
– het verbod op open vuur en rook;
– de aanwezigheid van rook- en brandmeldinstallaties en sprinkler;
– de aanwezigheid van brandschermen;
– het soort luchtbehandeling systeem (rook, MAC-waarden);
– de afstanden tot publiek en uitvoerenden;
– de aanwezigheid van brandgevaarlijke decors en rekwisieten;
– de aanwezigheid van stofnesten (ook onzichtbare vanwege concussion- effecten);
– de beslotenheid van de ruimte (vluchtwegen, luchtdruk verplaatsing);
– de stress voor een voorstelling / de routine bij meerdere voorstellingen;
– de ervaring met producten / ontsteeksystemen;
– de eis tot het gebruik van het minst gevaarlijke middel voor de realisatie van een effect (vervangende technieken);
– de aard van de producten die te gebruiken zijn.

Door deze combinatie van factoren zou theatervuurwerk aan nauw omschreven eisen moeten voldoen.

Vervolgens de definitie: In het vuurwerkbesluit wordt uitgegaan van een negatieve definitie met betrekking tot de omschrijving van theatervuurwerk: ‘Alles wat geen consumentenvuurwerk is, is groot (oftewel professioneel) vuurwerk’, zodat ook voor het binnenvuurwerk voldaan moet worden aan dezelfde regels als die van professioneel groot buiten vuurwerk. In bijvoorbeeld Duitsland en Amerika gaat men van een veel logischere functionele definitie uit en is nauwkeurig omschreven wat onder binnenvuurwerk valt en hoe daar mee om te gaan.

Een functionele definitie zou een vereenzelviging met ‘groot-vuurwerk’ kunnen voorkomen en in de praktijk veel misverstanden kunnen opheffen over:
-standaardvoorschriften in ‘evenementen’-vergunningen en voorwaarden in de verklaringen van geen bezwaar, en
-te hanteren afstanden bij opslag en het bezigen, c.q. het mogelijk gevaar en overlast voor mens, dier en milieu.

Vervolgens de samenstelling: binnen de Nederlandse regelgeving is er geen beperking in het gebruik van giftige en gevaarlijke stoffen bij produceren van ‘groot’ vuurwerk, terwijl in Amerika en Duitsland een groot aantal van deze stoffen hetzij verboden zijn, hetzij aan strenge regels onderhevig. Het is dus aan de fabrikant om zichzelf beperkingen op te leggen.

Anderzijds is veel theatervuurwerk uit het buitenland niet alleen specifiek ‘for indoor use only’, maar tevens geproduceerd onder de daar vigerende regelgeving m.b.t. gevaarlijke stoffen.

Tenslotte blijkt dat wat betreft het transport het theatervuurwerk onder een veel risicovollere categorie wordt ingedeeld dan feitelijk noodzakelijk:
‘Hoewel het merendeel van het theatervuurwerk als 1.4S (= lichtere klasse, red.) geclassificeerd zou kunnen worden, wordt dit door de producenten vanwege de extra hoge testkosten vrijwel nooit nagestreefd. Vanwege de relatief kleine hoeveelheden die per keer getransporteerd worden is hiertoe ook geen directe noodzaak’.
Al met al was duidelijk dat er een groot pleidooi was voor een scheiding tussen binnen- en buitenvuurwerk.

Tijdelijke vergunningen

Jan Touwslager van de KIWA was de laatste spreker.
Hoewel iedereen de KIWA kent van de stempeltjes op kranen en andere waterleidingartikelen, doen zij nog veel meer dan dat.
Eén van die dingen is maken van certificeringregelingen en zo heeft de KIWA de opdracht aanvaard om een certificeringregeling of -schema te maken voor ‘Deskundig Toezichthouder Vuurwerk’.
Certificering is normaal aan het worden. Daarmee worden een aantal zaken op voorhand al geregeld en een certificaat heeft als doel om:
– ongelukken te voorkomen;
– vakmanschap te bewerkstelligen;
– aan risicobeheersing te kunnen doen;
– invulling te geven aan de wettelijke bepalingen;
– zekerheid en toezicht te bewerkstelligen.

Met het certificaat ‘Deskundig Toezichthouder Vuurwerk’ mag je vuurwerk ‘bezigen’. Om dat certificaat te verkrijgen, moet je eerst een opleiding volgen en/of aan een toets voldoen en vervolgens moet je een formele aanvraag bij de KIWA indienen. Mits aan alle voorwaarden wordt voldaan, dan wordt het certificaat uitgereikt en bijgeschreven in een register.
Het certificaat is persoonsgebonden, zoals een rijbewijs, en kan ook ingetrokken worden.
De certificeringsregeling, dus ook in feite de eisen waaraan een opleiding moet voldoen, moet per 1 november 2001 gereed zijn.
Haast is ook wel geboden, want alle vergunningen zijn kort na ‘Enschede’ omgezet in tijdelijke vergunningen. De tijdelijke vergunningen lopen af per 3 februari 2002 en daarna is er niemand meer die wettelijk gerechtigd is om vuurwerk te ‘bezigen’.
Het forum werd fraai afgerond door de opmerking dat bij ongewijzigd beleid de huidige vergunninghouders op het huwelijk van Willem-Alexander nog wel al hun vuurwerk mogen verschieten, maar dat zij op 3 februari niet de rommel hoeven op te ruimen.
De vier forumleden werden door Louis Janssen namens de VPT hartelijk bedankt voor hun inzet en besloot met de opmerking dat een themadag over dit onderwerp wel op zijn plaats zou zijn.

Robert Baay

De RIE, een inventarisatie

Download: Productie RI&E in het Engels (pdf)
Download: Toelichting PRI&E in het Engels (pdf)
Download: Manual PRI&E in het Engels (pdf)
Download: Voorbeeld PRI&E, Checklist van het NDT (pdf)
Download: Voorbeeld PRI&E, VGW-plan ‘Bernhard’ Toneelgroep Amsterdam (pdf)
Download: Inspectieronde 2001 (pdf)
Artikel: Arbeidsinspectie schept duidelijkheid over productie RI&E
Artikel: VPT-dag over Productie RI&E
Artikel: RI&E per productie meer dan formulier invullen
Artikel: De RI&E, een inventarisatie
Artikel: Gezelschapsarbo
AanstellingskeuringArbobeleid in de organisatieArbocoördinator en preventiemedewerkerPlan van AanpakProductie risico inventarisatie & evaluatie (PRI&E)Risico inventarisatie & evaluatie (RI&E)Samenwerkende werkgeversVoorlichting en onderrichtWerkdrukDe RIE, een inventarisatie

Uit: Zichtlijnen 74, 2001

Coen Jongsma

Het tijdperk van de Flightcase Cowboys en de Indianen van de Vliegende Kluit is nu wel voorbij. De beschaving rukt op. En de arbeidsomstandighedenwetten van die beschaving schrijven voor dat alle theatergezelschappen op korte termijn een Productie Risico-Inventarisatie en Evaluatie moeten overleggen aan de theaters waar ze spelen en desgevraagd ook aan opsporingsambtenaren van de Arbeidsinspectie.
Arbozaken worden per bedrijfstak geregeld en het is daarom wel logisch dat de meeste gezelschappen nog in rustige afwachting verkeren van wat komen gaat.
Maar er zijn bewegingen aan het front.

Een Productie Risico-Inventarisatie en Evaluatie (Productie-RIE) is een procedure die leidt tot een op papier gestelde verklaring waaruit blijkt dat de bij een voorstelling betrokken medewerkers op de hoogte zijn van de risico’s voor de veiligheid, gezondheid en welzijn en dat al het mogelijke of redelijke is gedaan om de gevaren voor medewerkers en publiek tot een aanvaardbaar minimum te beperken. De RIE is een belangrijk instrument in aansprakelijkheidskwesties. En sinds de privatisering van de sociale verzekeringen is het voor werkgevers van levensbelang om heel strikt vast te leggen hoe de verantwoordelijkheden verdeeld zijn. Werkgevers zijn in principe aansprakelijk voor de eigen werknemers. Dat geldt ook als een gezelschap in een theater een voorstelling verzorgt. Beide partijen moeten hun zaakjes voor elkaar hebben. Schouwburgen hebben op grond van de Arbowet al een RIE; gezelschappen moeten die ook hebben.

‘Risico’ en ‘gevaar’ zijn begrippen die voor persoonlijke en ruime interpretatie vatbaar zijn. De wet zegt niet hoe de inventarisatie uitgevoerd moet worden. Arbodiensten bieden aan de gehele procedure voor hun rekening te nemen, maar zijn, net als de gezelschappen, nog in afwachting van de methode die in samenspraak met de branche ontwikkeld wordt.

Doe-het-zelf-RIE

De allereerste stap die gezet moet worden is de benoeming van een Arbocoördinator bij elk gezelschap. Deze coördinator – gewoonlijk één van de technici – mag de inventarisatie zelf doen. Om nu te voorkomen dat deze technicus een gevaarlijke decorinstallatie met elektrische apparaten én vuur én water, waar een actrice in licht-ontvlambare kleding aan een touw vanuit het grid in neergelaten wordt, als veilig beoordeelt ‘omdat het altijd goed gaat’, bestaat de wettelijke verplichting deze RIE uitgebreid door een gecertificeerde Arbodienst te laten toetsen.
Het is aan de commissie Veiligheid, Gezond en Welzijn in het Theater (VGWt) om een aanpak te ontwikkelen die niet alleen aan de wettelijke verplichting beantwoord, maar ook uitvoerbaar is. Ook voor gezelschappen waar de techniek door één technicus wordt verzorgd.
Veel organisaties doen al geruime tijd ervaring op met risico-inventarisaties.
In het Muziektheater in Amsterdam, een organisatie die voorop loopt met de uitvoering van Arbobeleid, bestaat al langer ervaring met het inventariseren van risico’s, planmatige evaluatie en de koppeling aan een Plan van Aanpak. Dit gebeurt zowel tijdens de productiefase als de montage/toneelperiode. Bij de voorstellingen van Het Nationale Ballet gebeurt het zelfs per scène. Met checklists wordt nagegaan of er knelpunten zijn op het gebied van veiligheid en gezondheid. Bij geconstateerde tekortkomingen moet er aangegeven worden welke actie ondernomen wordt. Deze werkwijze staat nagenoeg gelijk aan de methode die in het Arbohandboek beschreven wordt. Toetsing van de resultaten door de Arbodienst vindt (nog) niet plaats. Bij het RO-Theater in Rotterdam gaat men op soortgelijke wijze te werk. Productieleider Bram de Ronde steekt zijn hand ervoor in het vuur dat er tijdens het ontwerp, montage en opvoering voldoende aandacht en zorg is voor veiligheid, gezondheid en welzijn. Maar: ‘De enige stap die we niet zetten is het op papier zetten.’

Bezwaren

Ook al is het moeilijk om bezwaar te hebben tegen maatregelen die de veiligheid, gezondheid en het welzijn van werknemers bevorderen, toch kleven er aan een RIE-volgens-de-regels ook wel enige nadelen.
Het invullen van de checklists is voor de betrokken medewerkers een arbeidsintensieve klus. Normen moeten worden nageslagen, metingen verricht (gewichten, maten, geluidsniveaus, lichtniveaus etcetera). In het Muziektheater zijn bijvoorbeeld eens zeeën van tijd verloren gegaan aan een internationale zoektocht naar een harnas met een CE normering om een actrice in te laten vliegen . Er bestaan normen waar vrijwel niet aan is te voldoen. Zie de geluidsniveaus in de orkestbak maar eens onder de 80 dBA te krijgen. Waar kun je kleding kopen die van brandvertragende stoffen is gemaakt?
Het verzorgen van de rapportage garandeert op zichzelf ook niet dat er daadwerkelijk veiliger gewerkt wordt. Averechtse effecten zijn zelfs denkbaar vanwege het verschijnsel dat de ‘papieren veiligheid’ de normale professionele alertheid voor onveilige situaties verdringt. ‘Er zijn certificaten, dus het zal wel in orde zijn.’
Een RIE is duur. Een gezelschap dat de gehele opdracht uitbesteed aan een Arbobureau moet rekenen op een rekening van drie- tot zesduizend gulden. Een bedrag dat substantieel op het productiebudget drukt zonder dat er artistieke meerwaarde tegenover staat. Vooral de kleinere gezelschappen zullen op grond van de prijs niet onmiddellijk in enthousiaste bijval uitbarsten.
Uit de ervaringen van samenwerkingen met RIE-uitvoerende Arbobureaus duikt steeds de volgende problematiek op: Aan de frisse blik van iemand van buiten zit ook vast dat je zo iemand eerst de weg in huis moet wijzen voordat die zijn op de productie gerichte controle kan uitvoeren. Bij Arbodiensten bestaat nog niet heel veel specifieke deskundigheid van theaterproducties.
Bezwaarlijker is nog dat een externe Arbospecialist zich moet vergewissen van het algemeen veiligheids-, gezondheids- en welzijnsniveau van de organisatie die de productie op de planken brengt. De Arbodiensten zijn daarom verplicht om bij het maken van een productie-RIE bijvoorbeeld ook het beleid voor seksuele intimidatie, het ouderenbeleid, de werkoverleggen etcetera na te gaan. Als ze dat zouden nalaten, mogen ze de procedure geen RIE noemen.

Doe het anders

Louis Janssen, hoofd Technische Dienst van Toneelgroep Amsterdam, is goed op de hoogte van deze problematiek – en hij heeft gedacht: ‘Het kan ook anders.’ Zonder in het Arbohandboek te kijken en zonder checklists heeft hij een risico-inventarisatie gemaakt van de door zijn gezelschap uitgebrachte productie Bernhard.
Het resultaat van Janssens werk is een verslag in vijf A4-tjes, dat in toegankelijk proza beschrijft hoe de verantwoordelijkheden zijn verdeeld onder de medewerkers van de productie en de ontvangende schouwburg. Per onderwerp wordt besproken op welke wijze zorg is besteed aan veiligheid en gezondheid. Gedetailleerd waar nodig, globaal waar mogelijk. Bij de beschrijving van de gebruikte materialen en constructies worden relevante normen genoemd. Van het geluid en een geweerschot zijn volumes en duur van de piekmomenten gemeten, zowel in de zaal als op het podium. Er wordt verteld welke kapchangementen en speciale effecten in de voorstelling worden uitgevoerd. Het leest als een aanprijzingsbrief waarin staat dat alles goed, zorgvuldig en ‘in overeenstemming met’ wordt uitgevoerd.
Omdat het strikt juridisch genomen geen RIE mag heten, voorzag Janssen dit verslag van de naam ‘Veiligheids-, Gezondheids- en Welzijnsplan.’ En vervolgens stuurde Janssen het naar een consulent van de ArboUnie. Na een werkbezoek en enkele gesprekken, zette die enige aanvullende opmerkingen en adviezen op papier. Het VGW-plan en het commentaar van de ArboUnie wordt samen met de technische brief en een foto van het decor naar de theaters gezonden waar Bernhard speelt. Op deze wijze meent Janssen te voldoen aan de wettelijke verplichtingen. ‘Het grootste voordeel’, zegt hij, ‘is dat het VGW-plan volledig is toegespitst op de productie. In de bouw wordt het ook vaak zo gedaan. Zaken die met de algemene bedrijfsvoering van het gezelschap te maken hebben blijven buiten beschouwing, want dat wordt al voldoende gedekt door het algemene Arboplan van Toneelgroep Amsterdam.’ Vanzelfsprekend is deze in eigen beheer vervaardigde variant aanzienlijk goedkoper dan een RIE van een Arbodienst.
Het verschil met een ‘echte’ RIE is uiteindelijk niet heel groot. Toch komt dit VGW-plan waarschijnlijk al heel dicht in de buurt van de uiteindelijke vorm die de productie-RIE zal gaan aannemen.
De Commissie VGWt buigt zich inmiddels ook over het plan van Janssen. Ze onderzoekt nu de rechtsgeldigheid van zijn aanpak. De eerste tekenen wijzen erop dat die voldoende is. Vervolgens zal ook de Arbeidsinspectie zich akkoord moeten verklaren met deze methode. In het VGW-plan is nog onvoldoende systematiek aan te wijzen die het de status van standaardprocedure zou kunnen verlenen. Daarvoor leunt het te sterk op de grote kennis van zaken waarover Louis Janssen beschikt. De ‘Arbohandboek- klankbordgroep’ van de commissie VGWt is thans ook bezig met de tweede druk van deze uitgave. Dit boekwerk zal een cruciale rol gaan spelen indien de RIE een hoog doe-het-zelf gehalte krijgt. Een goede handleiding, gecombineerd met inzichtelijke checklists, kan de systematiek verschaffen die de gezelschappen nu nog bij de Arbodiensten moeten inkopen.

Doe het niet zelf

Ondertussen wordt in het Amsterdamse Theater Bellevue een tweede pilot uitgevoerd. Ook deze in samenwerking met Commit Arbo uit Diemen. De vorige pilot (beschreven in Zichtlijnen nr. 72) werd uitgevoerd op een heel kleine productie en dat kostte desondanks toch zo’n drieduizend gulden, wat een tamelijk hoog bedrag was in verhouding tot de in die productie aanwezige risico’s. Van de opgedane ervaring worden inmiddels wel de vruchten geplukt. De voorstelling die dit keer voor de RIE-pilot wordt gebruikt, Ten Liefde, is complexer dan de vorige, maar met het opstellen van deze RIE lijken toch minder tijd en geld gemoeid. Arbocoördinator Jan Sol blijft van mening dat de bemoeienis van een extern Arbobureau de kwaliteit van de RIE ten goede komt omdat dat voorkomt dat je, gedreven door eigenbelang, met een te grote mildheid oordeelt. Bovendien beschikt Bellevue bijvoorbeeld niet over geluidsmeetapparatuur. Commit kon die wel verzorgen.
Desondanks spreekt ook Jan Sol de verwachting uit dat de definitieve vorm van de RIE in de richting zal gaan van het VGW-plan van Janssen. ‘Je kunt immers zelf al heel veel doen.’
Volgens ArboUnie-consulent Steven Segboer, die de toetsing van Janssens plan verzorgde, zal de branche een aanpak moeten ontwikkelen die aansluit bij de mogelijkheden van de gezelschappen. De grote gezelschappen komen er volgens hem wel uit. Hij stelt zich voor dat er een korte workshop-achtige training wordt opgezet waarin technici van kleine gezelschappen de beginselen van de Risico-inventarisatie wordt bijgebracht. Ook zou kunnen worden afgesproken dat elk gezelschap één keer samen met een Arbodienst de hele procedure volgt, om het later zelf te kunnen doen. De inventarisatie moet gekoppeld zijn aan een Plan van Aanpak, om te garanderen dat aangetroffen knelpunten worden opgelost.
En zo verrijst er langzaamaan een beeld van de productie-RIE in de nabije toekomst. In elk gezelschap zal een Arbocoördinator benoemd worden. Een uitvoerige inventarisatie, die door de technici van het gezelschap zelf uitgevoerd kan worden aan de hand van standaard-checklists uit de tweede druk van het Arbohandboek. Dan een kortstondig contact met een Arbodienst die aanvullende metingen kan verrichten indien het gezelschap niet over de benodigde apparatuur beschikt, waarna door de Arboconsulent een verklaring kan worden opgesteld waaruit blijkt dat de productie geen bedreiging vormt voor medewerkers, schouwburgpersoneel en publiek.

Succesvol arbobeleid

Artikel: Succesvol Arbobeleid
Artikel: Goed Arbobeleid is geïntegreerd beleid
Artikel: De arbocoördinator: wil, weg en wet
Artikel: De taken van de arbocoördinator
Artikel: Taakverdeling in en om de organisatie
Artikel: Positie en opleidingen van arbocoördinatoren
Artikel: Arbo-opleiding en de praktijk van de podiumtechnicus
Serie: Op zoek naar de arbocoördinator 1, Rob Roos, Theater aan de Schie
Serie: Op zoek naar de arbocoördinator 2, Walter van Elteren, Theatercompagnie
Serie: Op zoek naar de arbocoördinator 3, Robert Vonkeman, Noord Nederlands Toneel
Serie: Op zoek naar de arbocoördinator 4, Ton Driessen, Wetten van Kepler
Serie: Op zoek naar de arbocoördinator 5, Chris Gorissen, Het Vervolg
Serie: Op zoek naar de arbocoördinator 6, Johan van der Kooy, De Paardenkathedraal
AanstellingskeuringArbobeleid in de organisatieArbocoördinator en preventiemedewerkerPlan van AanpakProductie risico inventarisatie & evaluatie (PRI&E)Risico inventarisatie & evaluatie (RI&E)Samenwerkende werkgeversVoorlichting en onderrichtWerkdrukSuccesvol arbobeleid

Uit Zichtlijnen 91, november 2003

door Aart Kraak

Waarom lukt het in de ene organisatie wel om op een structurele manier zorg aan de arbeidsomstandigheden van de medewerkers te besteden en in de andere organisatie niet? Dat was de vraag waarmee ik op stap ging, samen met Ruud de Koning en Pauline Beran. De reis ging naar het Theater aan de Schie in Schiedam en naar het Ro Theater in Rotterdam. Meer specifiek naar Rob Roos en Bram de Ronde, want dat zouden (zo was mij verteld) drijvende krachten zijn achter het arbobeleid bij hun organisaties.

Even voor de duidelijkheid: bij de bezoeken is alleen met genoemde personen gesproken en die zal ik dus op hun mooie blauwe (?) ogen moeten vertrouwen. Maar ik ben bereid daarin een heel eind te gaan.
In mijn periode als arbo-adviseur (± 1990-2000) heb ik veel organisaties begeleid bij het opzetten van arbobeleid, en mijn ervaring is dat het alleen goed van de grond komt als de directie er achter staat en er één of meerdere personen binnen de organisatie de verantwoordelijkheid en de mogelijkheden krijgen om dit beleid ‘handen en voeten’ te geven. Bij het Theater aan de Schie (b)lijkt dat te werken. Rob Roos is momenteel productiemanager en heeft ook de rol van arbocoördinator. De directeur ziet het belang van goede arbeidsomstandigheden, maar heeft een andere agenda (en dat mag ook, als je het maar faciliteert, zodat een ander het op kan pakken). Doordat Roos diverse bedrijfsprocessen onder zijn hoede heeft (waaronder de horeca, de productieplanning en de arbo) en zelf budgethouder is, is er zelden sprake van moeizame discussies en tegenstrijdige belangen. Die zijn er wel, maar worden ‘in één persoon’ afgewogen. Op mijn vraag of arbo’ dan niet vaak het stiefkindje is wordt door Roos ontkennend geantwoord. Hij zou zelf de rekening gepresenteerd zou krijg van een dergelijk beleid, een rekening die de vorm aan zou nemen van (onder andere) ziekteverzuim en problemen met de Arbeidstijdenwet. Bij het Theater aan de Schie is er dan ook nooit een stuwmeer aan overuren (‘sociaal roosteren’) en zijn de technici niet overbelast.
Mijn conclusie: het arbobeleid werkt bij deze organisatie omdat de directie er het belang van inziet en het operationele gedeelte van het arbobeleid heeft neergelegd bij iemand die daar op een positieve manier mee omgaat en ervoor wordt gefaciliteerd.

Bosbouwer traint acteur

Daarna togen we naar het Ro Theater. Bram de Ronde heeft daar geruime tijd de functie van arbocoördinator bekleed. Hij is nu hoofd van de productie-afdeling en heeft de arbotaken afgestoten, omdat hij vond dat deze verantwoordelijkheid niet te combineren viel met de opdracht om voorstellingen te maken. De zakelijk leider vervult nu de functie van arbocoördinator. Het Ro Theater heeft een arbocommissie, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat deze al geruime tijd niet meer bij elkaar is geweest.
Ik heb in dit gesprek dan ook minder gefocust op het arbobeleid vanuit de rol van een arbocoördinator, maar meer: hoe kun je als hoofd van een productie-afdeling voldoende aandacht geven aan arbo en veiligheid. Een groot verschil namelijk met het Theater aan de Schie is dat bij het Ro Theater ook producties worden gemaakt. De Ronde werpt zich daarbij op als een pleitbezorger voor veiligheid. Een voorbeeld: ‘men’ bedenkt dat er bij de productie een boom moet worden doorgezaagd met een motorkettingzaag. Door de bemoeienis van De Ronde is er onder meer voor gezorgd dat de acteur door een bosbouwer is getraind in het doorzagen van bomen, dat bij de kostuumontwerpster een verlanglijstje is neergelegd ten aanzien van beschermende kleding en dat uit een naslagwerk een veiligheidsinstructie voor kettingzagen is overgenomen.
Terug naar de praktijk in het Ro Theater. Enkele positieve aspecten:
∑ Het opstellen van de risico-inventarisatie en het Plan van Aanpak is volledig in eigen beheer gedaan, omdat men vond dat het gedragen moest worden door de eigen organisatie. Dit heeft geleid tot enkele aanpassingen in de inrichting.
∑ Er wordt al bij de repetities aandacht besteed aan de veiligheidsaspecten.
∑ Bij constateren van een onveilige situatie wordt de artistieke leiding geprikkeld om zelf een oplossing te bedenken.
∑ De eerste inspiciënt heeft een belangrijke rol bij het beoordelen van decors op veiligheid.

Mijn conclusie in deze situatie: hier is sprake van goed arbobeleid, dat echter kwetsbaar blijft doordat de arbocommissie ‘slapend’ is en ook  doordat de koppeling van de functie van arbocoördinator aan die van zakelijk leider niet logisch is. De kans dat arbo dan het stiefkindje wordt is niet ondenkbaar. Ik hoop dan ook dat het Ro Theater naast de huidige gezonde aandacht voor veiligheid, ook aandacht besteedt aan de verdere ‘organisatie van arbo’.
Ik wil afsluiten met een opmerking van Bram de Ronde: ‘Veiligheidsmaatregelen zijn niet onderhandelbaar’.

 

Fysieke belasting

Artikel: Plan van aanpak, hoofdstuk 5, Aanpak fysieke en psychosociale belasting
Artikel: Fysieke belasting
Artikel: Musicus moet beter eten en heeft oordopjes nodig
Fysieke belasting

Tekst Arbobesluit

Artikel 5.2 ‘Voorkomen van gevaren’ van het Arbobesluit luidt:
De arbeid wordt zodanig georganiseerd, de arbeidsplaats wordt zodanig ingericht, een zodanige productie- en werkmethode wordt toegepast of zodanige hulpmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen, worden gebruikt, dat de fysieke belasting geen gevaren met zich kan brengen voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemer.
Algemeen
Van fysieke belasting is sprake als:
– gewerkt wordt in een gedwongen, ongunstige houding (gedraaide, gebogen houdingen, afwijkingen van de comfortstand);
– de te leveren kracht te groot is, zoals bij het tillen van lasten of (hard) trekken of duwen;
– het werk kortcyclisch is, dat wil zeggen handelingen die in minder dan 90 seconden worden uitgevoerd en dan op dezelfde manier worden herhaald
– langdurig in statische houdingen gewerkt wordt.

Tilgewicht

In afwachting van normering wordt binnen de podiumsector voorlopig gestreefd naar een maximaal tilgewicht van 25 kg per persoon. Gunstige omstandigheden bij het tillen zijn:
– de last wordt dichtbij het lichaam getild;
– de last bevindt zich op een goede tilhoogte (over het algemeen 75 cm, maar afhankelijk van de lengte van de persoon);
– er wordt recht vooruit getild;
– het te tillen object kan goed worden vastgepakt, bijvoorbeeld handvatten;
– er wordt niet vaker getild dan 1 x per 5 minuten gedurende korter dan een uur.

De te tillen lasten en de omstandigheden bij het laden en lossen voldoen meestal niet aan deze gunstige omstandigheden.

Effecten

Een te hoge en/of foutieve fysieke belasting kan lichamelijke klachten veroorzaken. Er kan sprake zijn van
– mechanische overbelasting: deze ontstaat als de belasting te zwaar is voor botten, spieren, banden en gewrichten;
– energetische overbelasting: als de belasting te zwaar is voor het hart-longapparaat ontstaat ernstige vermoeidheid.

In het algemeen geldt dat hoe langer de overbelasting duurt, hoe groter de kans dat klachten ontstaan. De hersteltijd van deze klachten is vaak lang en de klachten keren vaak – in een ongewijzigde situatie – terug.

Risicogroepen

In 2004 is door onderzoeksbureau AStri onderzoek gedaan naar fysieke (en psychosociale) belasting in de podiumsector:

Fysieke belasting in podiumkunsten leidt tot klachten aan het bewegingsapparaat
De medewerkers in de podiumkunsten worden blootgesteld aan diverse vormen van fysieke belasting. Deze fysieke belasting kan leiden tot werkgerelateerde klachten aan het bewegingsapparaat. In de totale branche heeft 41% van de medewerkers in het afgelopen jaar last gehad van dit soort klachten. De blootstelling aan fysiek belastende factoren verschilt binnen de sector per beroep. Technici hebben een relatief zwaar beroep, waarbij zij te maken krijgen met diverse fysiek belastende factoren, zoals tillen, belastende werkhouding, lang achtereen staan/lopen en kracht uitoefenen. Dit leidt tot relatief veel werkgerelateerde klachten bij technici, met name onder in de rug en in de knieën. Ook de uitvoerende kunstenaars hebben een lichamelijk zwaar beroep, dat zich kenmerkt door werken in een belastende houding, lang achtereen zitten en repeterende bewegingen. Als gevolg hiervan komen bij de uitvoerenden veel klachten voor aan nek, schouders en rug.

De medewerkers van de koepels die het meest te maken krijgen met fysieke belasting, de orkesten (CNO) en de danssector (DOD) hebben ook het vaakst klachten van het bewegingsapparaat. Ook hier blijkt het soort klachten af te hangen van de fysiek belastende factoren waar men in het werk mee te maken krijgt. Zo hebben medewerkers in de danssector veel klachten aan de heupen, dijen, enkels/voeten, terwijl de medewerkers van de orkesten vooral klachten hebben aan hun ellebogen en handen/polsen.

Bij de podiumkunsten wordt niet meteen gedacht aan een branche met veel beeldschermwerk, maar toch werkt in deze branche een meerderheid (56%) langdurig achter een beeldscherm, met name stafmedewerkers en administratief/ ondersteunende medewerkers. Binnen de koepels komt beeldschermwerk vooral voor bij de schouwburgen (VSCD) en theatergezelschappen (VNT). Het beeldschermwerk wordt gekenmerkt door een aantal knelpunten: beeldschermwerkers werken lang achter een beeldscherm (gemiddeld 5 uur per dag) en nemen niet voldoende pauzes. Een groot deel van de beeldschermwerkers werkt niet in een juiste houding en bij een groot deel zijn verbeteringen aan de werkplek noodzakelijk. Deze knelpunten zijn doorgaans eenvoudig op te lossen, bijvoorbeeld door een juiste opstelling van beeldscherm, muis, toetsenbord of het aanschaffen van een goede bureaustoel. Hierdoor kunnen nek-, schouder- en polsklachten worden voorkomen.

Binnen de podiumkunsten heeft 8% van de medewerkers in het afgelopen jaar werkgerelateerde RSI-klachten gehad. Ter vergelijking in een soortgelijk onderzoek in de leer- en schoenenbranche komen RSI-klachten bij 20%-27% van de medewerkers voor in de afgelopen 12 maanden en in de ICT-branche komt bij 25% van de medewerkers RSI-klachten voor in de afgelopen drie maanden. RSI-klachten komen in de podiumkunsten met name voor bij medewerkers van orkesten (CNO). Dit heeft te maken met de vele repeterende bewegingen die de medewerkers in de orkesten maken.

Wettelijke bepalingen

Wanneer uit de risico-inventarisatie en -evaluatie blijkt dat werknemers fysiek belastende werkzaamheden verrichten, geldt de verplichting dat deze risico’s apart worden geïnventariseerd en geëvalueerd. Dit moet daarna in de totale RI&E worden opgenomen.

Plan van Aanpak
Hoofdstuk 5. Aanpak fysieke en psychosociale belasting

5.1 STAND VAN ZAKEN

Er zijn nog onvoldoende betrouwbare gegevens over het aantal medewerkers van podiumkunstbedrijven dat tengevolge van verschillende vormen van fysieke en/of psychosociale belasting gezondheidsklachten krijgt. De risicomatrix uit de onderzoeksrapportage van ORBIS (zie 3.3) geeft slechts een inventarisatie van de functiegroepen waarvan wordt aangenomen dat deze ten opzichte van de andere een relatief verhoogd risico lopen: dansers, orkestmusici, zangers en theatertechnici. De risicoscores zijn hoger bij cumulatie van fysieke en psychosociale belasting. Een belangrijke aanbeveling uit het onderzoek is om de cumulatieve effecten van – en samenhang tussen – de primaire arbeidsrisico’s te erkennen.

De meest concrete maatregelen die tot nu toe worden getroffen lijken te bestaan uit de aanschaf en het gebruik van hulpmiddelen die de fysieke belasting doen verminderen. Op dit gebied gebeurt er veel in de podiumkunsten en is de laatste jaren sprake van een goede vooruitgang die door een verdere normering en standaardisering alsmede inventarisaties op het gebied van de stand der wetenschap en techniek gedurende de convenantsperiode zal worden versneld. Oplossingen in de richting van nieuwe werkmethoden, model (P)RIE’s, organisatorische, personeelstechnische of beleidsmatige aanpassingen worden vooralsnog minder toegepast.

Maatregelen die psychosociale belasting kunnen beperken lijken in nog mindere mate te worden genomen. Een reden kan zijn dat daarbij in plaats van materiële vooral moeilijker te implementeren beleidsmatige, personeelstechnische en planningstechnische oplossingen een rol spelen zoals het ontwikkelen van ouderenbeleid, functioneringsgesprekken, vergroten van individuele regelcapaciteit, duidelijker taakomschrijvingen, scholingsprogramma’s, e.d.

Wellicht een nog belangrijker reden is dat een zekere mate van psychische en emotionele belasting inherent is (c.q. als inherent wordt gezien) aan werken in de podiumkunsten. De eisen gesteld aan de diverse beroepen in de podiumkunsten zijn hoog en complex. Het toegeven niet aan deze eisen te voldoen berust nog teveel in het taboesfeer.

5.2 RISICOGEBIEDEN

5.2.1 Fysieke belasting
De risicopopulatie met betrekking tot fysieke belasting bestaat binnen de branche podiumkunsten primair uit de beroepsgroepen dansers, musici en zangers en in mindere mate uit productietechnici bij theater- en dansgezelschappen en alle typen podia.

5.2.2 Psychosociale belasting
De risicopopulatie met betrekking tot psychosociale belasting bestaat binnen de branche podiumkunsten primair uit de beroepsgroepen musici en uit leidinggevenden in alle deelbranches en in mindere mate uit dansers en acteurs alsmede productietechnici in het merendeel van de kunstbedrijven.

5.2.3 Nadere toelichting per beroepsgroep
Al eerder in dit Plan van Aanpak is gesteld dat de branche podiumkunsten bestaat uit een grote verscheidenheid in disciplines, artistieke producten, organisatievormen, bedrijfsomvang, bedrijfsculturen en arbeidsomstandigheden en dat bij het vinden van oplossingsrichtingen m.b.t. de convenantsdoelstellingen ernstig rekening moet worden gehouden met de specificiteit van deelbranches. Ook is al gesteld dat het aanbeveling verdient om de cumulatieve effecten van – en samenhang tussen – de primaire arbeidsrisico’s te erkennen. Tenslotte komt daar nog bij dat het beslist onjuist zou zijn om te stellen dat ‘de’ orkestmusicus dus altijd het arbeidsrisico ‘9’ loopt en ‘de’ productietechnicus dus altijd het risico ‘5,5’. De convenantsdoelstellingen en de in verband daarmee omschreven maatregelen in dit Plan van Aanpak mogen dan ook geenszins leiden tot een strak keurslijf, ook niet waar het gaat om een bepaalde beroepsgroep. Maatwerk, op het niveau van de dagelijkse praktijk van de afzonderlijke kunstinstelling, is een voorwaarde voor terugdringen van blootstelling aan de arbeidsrisico’s en het reduceren van ziekteverzuim in de branche als totaliteit. Het is natuurlijk wel de bedoeling dat dit maatwerk, wanneer het bij een bepaald podiumkunstbedrijf tot succes leidt, voor implementatie elders wordt voorgedragen.

5.2.3.a Musici
Fysieke (over)belasting bij orkestmusici en zangers kent een groot aantal mogelijke componenten. Onder instrumentalisten bestaan tal van – vaak instrumentgerelateerde – vormen van PRMD: Playing Related Musculoskeletal Disorders, arbeidsgerelateerde en deels aan RSI verwante aandoeningen aan het houdings- en bewegingsapparaat. Bij zangers spelen specifieke overuse- of misuse-problemen van de stembanden. Daarnaast hebben instrumentalisten en zangers, afhankelijk van de werkomstandigheden, te maken met ergonomisch niet optimale stoelen, stoffige en/of te warme arbeidsomstandigheden, onvoldoende luchtvochtigheid op de werkplek, belasting van het gezichtsvermogen door slechte belichting op vergeelde partituren, schadelijk geluid, enz, enz.

Gedacht vanuit de arbeidshygiënische strategie kan dergelijke (over)belasting voor een deel worden voorkomen door diverse vormen van bronaanpak: instrumentaanpassing, toepassen van methoden voor mentaal studeren, betere klimaatbehandeling, stoelen, orkestbakken, lessenaars en partituren, betere repertoire-, repetitie- en concertplanning ter vermijding van teveel piekbelasting, een ouderenbeleid, enz, enz.

Psychosociale (over)belasting onder orkestmusici en zangers wordt – denkt men – in het algemeen veroorzaakt door een combinatie van een hoge werklast in combinatie met een lage regelruimte. Het effect van deze combinatie zou nog worden versterkt wanneer er sprake is van tekortkomingen in de ondersteuning door leidinggevenden en/of collegae. Over de mogelijkheden tot bronaanpak op dit vlak is inmiddels het nodige bekend, onder meer door onderzoek dat onlangs in opdracht van het Contactorgaan van Nederlandse Orkesten is uitgevoerd.

Aan het musiceren in een professioneel symfonieorkest of zingen in een professioneel koor lijkt, mede als gevolg van de hoge beroepseisen die worden gesteld, een bepaalde mate van overbelasting inherent. Daarom is van belang dat ook goed bekeken wordt in hoeverre de belastbaarheid van musici en zangers kan worden verbeterd door voorzieningen en activiteiten op het gebied van fitness, warming up en cooling down, structurele en vroegtijdige (para)medische controle en zorg, e.d.

5.2.3.b Dansers
Wat betreft fysieke belasting is het evident dat dansers constant een groot beroep doen op hun lichaam. Veel dansers doen hun werk met constante pijn. In een artikel in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde wordt het volgende gemeld: “In hun streven naar een maximale expressie pogen dansers hun fysiologische grenzen te bereiken. Enerzijds komt dit door de druk van buitenaf, anderzijds door de danser zelf, die ambities heeft en wil presteren. Hierdoor hebben dansers een vrij grote kans op letsel. De fysieke belasting van het lichaam van de danser kan dan zodanig zijn dat anatomische variaties nadelig worden, waar deze bij anderen niet van betekenis zijn. Ook komen bij sommige vormen van moderne dans zodanig onfysiologische bewegingen voor dat traumatische gevolgen onvermijdelijk lijken.”

Er zijn veel tekenen van toenemend arbobewustzijn. Klachten van dansers worden steeds beter begeleid door fysiotherapeuten, masseurs en Mensendiecktherapeuten. Daarnaast wordt door werkgevers steeds vaker periodiek geneeskundig onderzoek aangeboden. Een dergelijk PAGO heeft niet alleen een preventieve werking, maar kan tevens het algemeen welbevinden van de medewerker bevorderen en hem/haar ondersteunen bij het bewaken van de gezondheid en welzijn bij het uitvoeren van de werkzaamheden.

Daarnaast getuigen de activiteiten van onder andere de Stichting Gezondheidszorg Dansers, bijvoorbeeld met de in 1999 gehouden internationale conferentie ‘Not Just Anybody’, van een toenemend inzicht in de verwevenheid tussen optimale fysieke prestatie en psychosociaal welbevinden. In deze jonge en internationale beroepsgroep wordt steeds meer aandacht besteed aan zaken als assertiviteit, mentale weerbaarheid en verbale communicatie.
De carrière van dansers is kort, vergelijkbaar met die van topsporters. De noodzaak om het beroep te verlaten met een onbekend en onzeker toekomstperspectief is een inherente en fundamentele psychosociale belastende factor. Momenteel vervult de Omscholingsregeling Dansers een voorbeeldfunctie op het gebied van branchespecifiek, effectief reïntegreren.

5.2.3.c Productietechnici
Op het vlak van fysieke belasting gelden voor technici de volgende aspecten: laden en lossen van zware decorstukken met onbekend gewicht, transporteren van grote materiaalkoffers, aan- en afhangen van (onbekende) gewichten, tillen van kluiten, (nog) handmatig bedienen van trekkenwanden, tillen en transporteren van zware geluids- en lichtapparatuur, klimwerk. Daarbij worden regelmatig te zware lasten getild en met teveel kracht geduwd of getrokken. Andere aspecten van de zware fysieke belasting van productietechnici zijn onder meer het kracht uitoefenen op (vaak trillende) gereedschappen, vaak of lang met het bovenlichaam draaien, veel lopen (ook trappen), vaak en veel boven schouderhoogte werken, veel of vaak geknield en gehurkt werken, zweten en buiten adem raken, korte maximale inspanningen leveren, vaak plotselinge bewegingen maken. RSI-klachten worden binnen de beroepsgroep in toenemende mate geconstateerd bij operators van podiumtechnische geluid-, licht- en regelapparatuur en bij CAD-medewerkers.

Onbekendheid met arbonormen wordt als één van de oorzaken van ongezonde fysieke inspanning genoemd, met name bij semi-professionele technici, invallers en uitzendkrachten. Onervaren krachten veroorzaken extra fysieke belasting bij het vast personeel. Vaak zijn ergonomische hulpmiddelen wel beschikbaar, maar wordt er weinig gebruik van gemaakt omdat ze onhandig lijken of meer tijd kosten. Daarbij speelt dat medewerkers zich nog onvoldoende bewust zijn van de gevaren. Als een evenement is afgelopen, wil iedereen zo snel mogelijk naar huis. Veiligheidsvoorschriften en hulpmiddelen die de fysieke inspanning verminderen, worden dan bij het afbreken en inruimen nogal eens vergeten.

Op het vlak van psychosociale belasting – en veelal in relatie met fysieke belasting – spelen zaken als piekbelasting, keiharde deadlines, onregelmatige werktijden, veel omgevingsgeluid, lange werkdagen, weinig zeggenschap en regelcapaciteit, slecht georganiseerde werkzaamheden en afstemmingsproblemen rond de Arbeidstijdenwet. Voor terugdringing van deze vormen van belasting komen, op het niveau van elk afzonderlijk kunstbedrijf, tal van maatregelen in aanmerking zoals bijvoorbeeld beschreven in het brancheoverstijgend onderzoek inzake werkdruk van TNO Arbeid en SKB (april 2001).

Technici van producerende, reizende kunstbedrijven staan in de regel meer bloot aan fysieke en psychosociale belasting dan hun collegae van faciliterende bedrijven vanwege dagelijks wisselende en soms niet te voorziene omstandigheden en arbeidstijden bij de ontvangende podia.

5.2.3.d Leidinggevenden
Leidinggevende functionarissen als zakelijke en artistieke leiders, hoofden van technische diensten en marketingafdelingen, voorgebouw managers en productieleiders staan regelmatig bloot aan psychosociale belasting. Leidinggevenden worden veelal klem gezet tussen artistieke belangen en belangen in de zin van goede arbeidsomstandigheden. Ook voor deze beroepsgroepen lijken trefwoorden te gelden als piekbelasting, keiharde deadlines, onregelmatige werktijden, lange werkdagen, weinig zeggenschap en regelcapaciteit en slecht georganiseerde werkzaamheden. Voor terugdringing van deze vormen van belasting komen, op het niveau van elk afzonderlijk kunstbedrijf, tal van maatregelen in aanmerking zoals bijvoorbeeld beschreven in het brancheoverstijgend onderzoek inzake werkdruk van TNO Arbeid en SKB (april 2001)

5.2.3.e Overige beroepsgroepen
De andere in de branche voorkomende beroepsgroepen zijn uit het ORBIS-onderzoek niet naar voren gekomen als majeure risicopopulatie. Met betrekking tot fysieke belasting moet worden gesteld dat – bijvoorbeeld – de beeldschermwerkers bij producerende en faciliterende kunstbedrijven in de regel evenveel risico zullen lopen om een RSI-gerelateerde aandoening te krijgen als collegae in andere branches. Op het gebied van psychosociale belasting kunnen, mogelijk vooral bij kleinere en matig gefaciliteerde kunstbedrijven, ook de kantoor-, kassa-, horeca- en marketingmedewerkers bij tijd en wijle een flinke (over)belasting ervaren. De VBBA-nulmeting zal daarover meer utsluitsel moeten bieden en zullen, indien relevant, vanuit het Kenniscentrum naar die overige beroepsgroepen voorlichtende activiteiten gerealiseerd worden. Met name op het gebied van RSI lijkt het noodzakelijk om bij deze werknemers de betreffende risico’s grondig onder de aandacht te brengen.

5.3 SPECIFIEKE DOELSTELLINGEN

5.3.1 Fysieke belasting
Partijen stellen zich met betrekking tot het beoogde effect van het convenant het volgende ten doel in het kader van het onderwerp fysieke belasting:
1. 90% van de risicopopulatie en van hun werkgevers weet hoe fysieke overbelasting ontstaat en voorkomen kan worden, zulks met name te bewerkstelligen door het verbeteren van de arbokennisinfrastructuur, zoals omschreven in het Plan van Aanpak.
2. De in het Plan van Aanpak omschreven maatregelen ter vermindering van de fysieke belasting, zoals de implementatie van een Bedrijfsplan van Aanpak waarin een bedrijfsspecifieke analyse van de VBBA-nulmeting is opgenomen, de normering van het maximaal tilgewicht en de protocollen m.b.t. samenwerkende werkgevers, worden daadwerkelijk doorgevoerd in de bedrijven.
3. Aan het eind van de convenantsperiode is het deel van de risicopopulatie dat melding maakt van klachten aan het bewegingsapparaat afgenomen met 10%.
5.3.2 Psychosociale belasting
Partijen stellen zich met betrekking tot het beoogde effect van het convenant het volgende ten doel in het kader van het onderwerp psychosociale belasting:
1. 90% van de risicopopulatie en van hun werkgevers weet hoe psychosociale belasting kan ontstaan en kan worden voorkomen, zulks met name te bewerkstelligen door het verbeteren van de arbokennisinfrastructuur, zoals omschreven in het Plan van Aanpak.
2. De in het Plan van Aanpak omschreven maatregelen ter vermindering van de psychosociale belasting, zoals de implementatie van een Bedrijfsplan van Aanpak waarin een bedrijfsspecifieke analyse van de VBBA-nulmeting is opgenomen, worden daadwerkelijk doorgevoerd in de bedrijven.
3. Aan het eind van de convenantsperiode is het deel van de risicopopulatie dat psychosociale belasting ervaart afgenomen met 10%.

In samenhang met het onder 5.3.1 en 5.3.2 gestelde wordt gestreefd naar:
· Het bevorderen van een systematische aandacht voor fysieke en psychosociale belasting bij alle betrokken podiumkunstbedrijven.
· Het verbeteren van de voorlichting over de risico’s van fysieke en psychosociale belasting aan de primaire en secundaire risicogroepen.
· Het promoten van het toepassen van hulpmiddelen in de materiële sfeer en aanpassingen in de immateriële sfeer.
· Het bevorderen van uitwisseling van bestaande best practices tussen deelbranches en afzonderlijke kunstbedrijven.

5.4 ACTIVITEITEN

Door het Kennis-, informatie- en productiecentrum wordt op bedrijfs- en deelbrancheniveau structureel uitgebreide informatie aangeboden met betrekking tot de in de podiumkunsten voorkomende vormen van fysieke en psychosociale belasting alsmede de stand der techniek en wetenschap m.b.t. het terugdringen van de mate van blootstelling en het ziekteverzuim. Er zal daarbij gebruik worden gemaakt van het brancheoverstijgend onderzoek naar de stand der techniek inzake preventie van RSI bij beeldschermwerk van TNO Arbeid (maart 2001). Met betrekking tot psychosociale belasting wordt als stand der wetenschap het brancheoverstijgend onderzoek inzake werkdruk van TNO arbeid en SKB (april 2001) gehanteerd.

5.4.1 Normering maximaal tilgewicht
Een belangrijke taak voor de Werkgroep normering, standaardisering en beleidsregels – zeker te bezien in samenhang met het ontwikkelen van een protocol voor samenwerkende werkgevers – betreft het normeren van het maximale tilgewicht voor technici binnen de podiumkunsten. Er wordt gestreefd naar het bepalen van het maximale tilgewicht in verschillende tilsituaties aan de hand van de NIOSH-formule. Daarbij is op grond van biomechanisch, fysiologisch en psychofysiek onderzoek een maximaal te tillen gewicht in de gunstigste tilhouding bepaald op 25 kilogram.

De werkgroep zal, na het uitvoeren van (zonodig deelbranchespecifieke) berekeningen via de NIOSH-formule intensief aandacht besteden aan eventuele technische, financiële en/of organisatorische problemen die een brede implementatie van de norm binnen de convenantsperiode in de weg kunnen staan. Bij de studies zal ook het werkgroepgebied stand der techniek en wetenschap alsmede de Arbeidsinspectie betrokken moeten zijn. Het ligt in de bedoeling uiterlijk op 1 september 2003 een rapportage over alle aspecten beschikbaar te hebben.

De beroepsgroepen dansers en acrobaten zijn uitgezonderd van de normering van het maximaal toelaatbaar tilgewicht van 25 kilogram, voor zover zij bij de beoefening van hun kunstvorm andere dansers en acrobaten tillen / liften én mits deze dansers en acrobaten voldoen aan de navolgende vereisten:
1. de werkgever dient de fysieke belasting voor dansers en acrobaten waar mogelijk te beperken. Van artistiek leiders en choreografen wordt hiervoor speciale aandacht verwacht;
2. de werkgever dient de dansers en acrobaten intensief te begeleiden met als doel:
· dansers en acrobaten optimaal te equiperen voor hun zware fysieke taak door middel van: professionele training, een gedegen warming up etc.;
· het vroegtijdig signaleren van potentieel ernstige klachten; en
· snelle revalidatie en reïntegratie na blessures.
Er zal door de Werkgroep normering, standaardisering en beleidsregels, in nauwe samenwerking met de betrokken beroepsgroepen, een reglement worden ontwikkeld, waarin de hiervoor genoemde verplichtingen nader worden uitgewerkt. Dit reglement zal uiterlijk op 15 mei 2003 in werking treden.

5.4.2 VBBA-nulmeting
Begin 2003 worden de resultaten verwacht van een uitgebreid onderzoek dat momenteel in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt gedaan naar de beleving en beoordeling van de arbeid in de podiumkunsten. Daarbij gaat het om het verkrijgen van een meer betrouwbaar en gedetailleerd inzicht in de mate waarin psychosociale arbeidsbelasting en/of fysieke belasting (waaronder tillen en RSI) een risicofactor van betekenis vormen.

Het onderzoek wordt uitgevoerd op basis van het VBBA-instrumentarium. In overleg met deskundigen uit deelbranches en van betrokken arbodiensten wordt de mate bepaald waarin (deel)branchespecifieke wijzigingen, toevoegingen en/of toelichtingen op de vragenlijsten nodig zijn, met name teneinde ook beleving en beoordeling van de arbeid door artistieke beroepsgroepen volwaardig mogelijk te maken. Tevens wordt bezien in hoeverre ook de blootstelling aan schadelijk geluid kan worden betrokken.

Het VBBA-onderzoek geeft elke (op basis van vrijwilligheid) participerende werknemer inzicht in de factoren c.q. stressoren die in de arbeidssituatie tot overbelasting kunnen leiden. Het onderzoek is niet alleen van belang als meetinstrument, maar dient ook als middel om fysieke en psychosociale (over)belasting en de effecten daarvan binnen podiumkunstbedrijven bespreekbaar te maken. Op die manier kan een gezamenlijke taal ontwikkeld worden waardoor in meerdere deelbranches en afzonderlijke kunstbedrijven gelijktijdig maatregelen kunnen worden besproken en beproefd.

Het is van belang dat zoveel mogelijk werknemers aan het onderzoek meedoen omdat slechts dan voldoende respons wordt verkregen om verantwoorde uitspraken te doen over relatief kleine deelpopulaties. Dit is absoluut noodzakelijk voor branches waarin voornamelijk bedrijven met minder dan tien (vaste) medewerkers voorkomen. Door de Stichting ArboPodium, het Kenniscentrum en de afzonderlijke werkgevers- en werknemersverenigingen zal alles in het werk worden gesteld om voor het onderzoek een zo breed mogelijk draagvlak te creëren. De BBC en de Stichting ArboPodium streven ernaar dat, binnen elk der betrokken deelbranches, tenminste 75% van de kunstbedrijven aan het onderzoek meedoen met een werknemersparticipatie van eveneens tenminste 75%.

De onderzoeksresultaten zullen op diverse relevante niveaus worden geanalyseerd waaronder deelbranche, bedrijfsgrootte, organisatievorm, leeftijd, functiegroep en contractvorm. Alle participerende kunstbedrijven ontvangen een bedrijfsspecifieke analyse van de onderzoeksresultaten en een toelichting op de mogelijkheden de resultaten in het eigen Bedrijfsplan van Aanpak te implementeren.

Bij bedrijven met minder dan tien medewerkers kunnen echter slechts dan statistisch geldige interpretaties worden gemaakt wanneer resultaten van meerdere bedrijven worden samengevoegd. Dat zal in de regel op deelbrancheniveau (bijvoorbeeld poppodia of jeugdtheater) tot verwerkbare resultaten moeten leiden.

5.4.3 VBBA-eindmeting
Teneinde een aantal van de beoogde effecten van het convenant meetbaar te maken wordt het onderzoek herhaald in het laatste jaar (2005) van het convenantstraject.

5.4.4 Inpassing resultaten VBBA-nulmeting in Bedrijfsplan van Aanpak
De BBC en de Stichting ArboPodium zullen met kracht bevorderen dat zo veel mogelijk van de kunstbedrijven waarvan de werknemers significant participeerden in de onder 5.4.2 omschreven nulmeting de voor het bedrijf relevante uitkomsten verwerken in het eigen Bedrijfsplan van Aanpak, bespreken met hun arbodienst en waar mogelijk laten opnemen in PAGO’s.

5.4.5 Pilot fysieke en psychosociale belasting van musici en zangers
Het ligt in de bedoeling om, op basis van een vooraf in te dienen projectplan en -begroting, de ontwikkeling en uitvoering van het project zo veel mogelijk in handen te geven van de betreffende deelbranche c.q. uitvoeringspraktijk. Het is de bedoeling dat het plan zal aansluiten op de uitkomsten van eerder onderzoek dat werd gedaan in opdracht van het Contactorgaan van Nederlandse Orkesten. Door de Stichting ArboPodium kunnen aan de in het project participerende kunstbedrijven voorwaarden worden gesteld op het gebied van het door hen ter zake van het project gevoerde arbobeleid; waaronder de mate van betrokkenheid van de belanghebbende werknemers en de betreffende arbodienst.

Het project, waarvan de uitvoering gepland staat voor 2004, bestaat uit:
1. Het zo nodig uitvoeren van een beknopt (literatuur)onderzoek op internationaal niveau, dat tot doel heeft te resulteren in een geactualiseerde inventarisatie van (al dan niet beproefde) preventieve en curatieve inzichten en methoden om fysieke en psychosociale belasting bij orkestmusici en zangers te (doen) erkennen, herkennen en terug te dringen.
2. Het middels de VBBA-nulmeting verkrijgen van een beter inzicht onder participerende orkesten en koren naar beleving en beoordeling van de risico’s van fysieke en psychosociale belasting, zulks zo mogelijk in combinatie met die van schadelijk geluid.
3. Het, op basis van de uitkomsten van de punten 1. en 2, formuleren van één of meer verbetermodules, die bestaan uit combinaties van materiële, organisatorische, beleidsmatige en voorlichtingstechnische maatregelen ter vermindering van de arbeidsrisico’s op het gebied van fysieke en psychosociale belasting. Er wordt naar gestreefd om in tenminste één van de verbetermodules ook een conservatorium te betrekken.
4. Het uitvoeren van de verbetermodule(s) bij en door enkele van de kunstbedrijven die participeerden in de VBBA-nulmeting
5. Het analyseren van de resultaten en het – ter implementatie in de totale deelbranche en relevante secundaire doelgroepen – formuleren en entameren van de meest effectief bevonden verbetertrajecten.

Bij het samenstellen en uitvoeren van de verbetermodules zal zoveel als mogelijk is de arbeidshygiënische strategie worden gehanteerd.

5.4.6 Pilot fysieke en psychosociale belasting van dansers
Het ligt in de bedoeling om, op basis van een vooraf in te dienen projectplan en -begroting, de ontwikkeling en uitvoering zo veel mogelijk in handen te geven van de werkgeversvereniging Directie Overleg Dans. Door de Stichting ArboPodium kunnen aan de in het project participerende kunstbedrijven voorwaarden worden gesteld op het gebied van het door hen ter zake van het project gevoerde arbobeleid; waaronder de mate van betrokkenheid van de belanghebbende werknemers en de betreffende arbodienst.

Inleiding
Sinds enkele jaren wordt onderzoek gedaan naar belasting en belastbaarheid van dansers-in-opleiding. Het onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van onderwijs-kwaliteitsverbetering en heeft als belangrijkste doel inzicht te krijgen in factoren die samenhangen met blessure-incidentie. Uitgangspunt is hierbij de balans tussen belasting (draaglast) en belastbaarheid (draagkracht). Onderzoeken zijn uitgevoerd bij de Theaterschool (Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten), de Vooropleiding Dans (anno 2000) en bij het HBO-dans (anno 2001). In het onderzoek zijn bij de dansers-in-opleiding fysieke tests afgenomen ter bepaling van de fysieke conditie (uithoudingsvermogen, snelheid, kracht, lenigheid). Verder is door het registreren van de hartslag van de dansers de (cardio-vasculaire) belasting bij de dansers gemeten tijdens de dagelijkse lessen (klassiek ballet, moderne dans en jazz-dans). Tenslotte is door de dansers-in-opleiding een uitgebreide vragenlijst ingevuld, waarin allerlei aspecten van de beleving van belasting en belastbaarheid aan de orde komen.

Voorgenomen onderzoek: het danslogboek
In vervolg op het uitgevoerde onderzoek bij het HBO-dans zal in het voorjaar van 2002 gestart worden met een onderzoek waarin een danslogboek wordt geconstrueerd en beoordeeld op hanteerbaarheid. Deze activiteit vindt eveneens plaats bij de studenten van de uitvoerende dans-opleidingen (NBA, MTD, JTSM; Theaterschool, Amsterdam). Het logboek is er op gericht de student verantwoordelijkheid te geven om de eigen alledaagse belasting en belastbaarheid bij te laten houden. Hierbij dient gedacht te worden aan zowel de feitelijke besteedde uren als aan het weergeven van de ervaren zwaarte, terwijl ook belangrijke, relevante ‘randvoorwaarden’ geboekstaafd worden (b.v. de rustpols bij ontwaken).

Het logboek zal niet alleen van nut kunnen zijn voor de danser zelf (bij voorbeeld: inzicht geven in de eigen grenzen en in waarschuwingssignalen voor overbelasting), maar ook voor de dansdocent en andere dans-begeleiders (choreograaf, repetitor) en voor de (para-)medische begeleiders. Deze ‘begeleiders’ zijn immers niet meer afhankelijk van het (feilbare) geheugen van de danser, maar kunnen in voorkomende gevallen het logboek (laten) raadplegen, waarbij zonodig geruime tijd in het verleden kan worden gegaan. Het logboek zou dan ook een centrale rol kunnen gaan spelen in de herkenning en regulering van de balans tussen belasting en belastbaarheid van de individuele danser.

Voorstel voor onderzoek bij dansgezelschappen
Ten behoeve van een pilot-project onder de noemer ‘Fysieke en psychosociale belasting van dansers’ kan gemakkelijk voortgebouwd worden op de algemene opzet van het eerdere onderzoek bij dansers-in-opleiding. Er worden twee fasen onderscheiden. In de eerste fase wordt de opzet van het reeds afgeronde onderzoek naar aspecten van belasting en belastbaarheid gevolgd: allereerst een uitgebreide vragenlijst naar de beleving van belasting en belastbaarheid, gevolgd door de meting van aspecten van de fysieke fitheid en tenslotte als derde onderdeel, het meten van de belasting tijdens de dagelijkse activiteiten (lessen, repetities, voorstellingen). Het inzicht dat wordt verkregen dient in de tweede fase vertaald te worden in een specifiek logboek, bruikbaar voor professionele dansers in een gezelschap.

Dansers en degenen in hun omgeving (repetitors, balletmeesters, choreografen, de (para-) medische begeleiders, maar ook de leidinggevenden van het gezelschap) krijgen door het onderzoek inzicht in de belastbaarheid bij ‘hun’ dansers (zoals: fitheid, beleving van belasting en belastbaarheid, belasting tijdens dagelijkse activiteiten). Dit inzicht kan resulteren in het aanbevelen van zinvolle ondersteunende activiteiten.

De 1e fase zou uitgevoerd kunnen worden in de periode 2002-2003 (rapportage in najaar 2003), en de 2e fase (logboek) kan dan starten in het najaar van 2003 met een afronding in 2004. Vooralsnog wordt gedacht aan de uitvoering van het onderzoek bij een groot en bij een klein dansgezelschap.

 

Werkdruk

Artikel: Verslag Arboseminar: Werkdruk
AanstellingskeuringArbobeleid in de organisatieArbocoördinator en preventiemedewerkerPlan van AanpakProductie risico inventarisatie & evaluatie (PRI&E)Risico inventarisatie & evaluatie (RI&E)Samenwerkende werkgeversVoorlichting en onderrichtWerkdrukWerkdruk

Verslag Arboseminar juni 2001

 
Een paneldiscussie met Ine Timmers (zakelijk directeur van Het Vervolg), Henk Bruinink (arbo- en stafarts bij ArboUnie Zuid Oost Nederland), Astrid van Schaik (fulltime arbocoördinator bij de Nederlandse Opera, Het Nationale Ballet en Het Muziektheater) en Henny Schwithal (freelance logistiek analist en adviseur arbozaken).
 

Een verslag van Klazien Brummel

 
Werkdruk? Bij machinisten ontstaat het als ze gedwongen worden ´rondjes om de kerk´ te rijden, leraren ervaren het bij de zoveelste opgedrongen reorganisatie en huisartsen krijgen er last van als ze voor al die mensen met versluierde werkdrukklachten een oplossing moeten zien te vinden. Volgens het ene onderzoek staat Nederland stijf van de werkdruk vanwege overproductiviteit en volgens weer andere onderzoeken is geen mens zo tevreden als de inwoner van datzelfde Nederland. Hoe zit het nu eigenlijk? Is werkdruk altijd al een serieuze bedreiging van de volksgezondheid geweest of bedreigt het slechts ons gevoel van welbevinden, voornamelijk in tijden van voorspoed?

De voorzitter van de gespreksronde over werkdruk, Ine Timmers, bracht die laatste gedachte bij wijze van provocatie naar voren in de discussie. ´Vroeger´, zei zij, ´toen we nauwelijks ergens geld voor hadden, liep alles op rolletjes, terwijl we nu, met veel meer geld, het werk maar niet gedaan lijken te krijgen.´ De oorzaak ligt volgens Timmers in het verschijnsel dat extra budget ogenblikkelijk meer werk genereert, want er worden meteen nieuwe plannen bedacht, waar weer extra technici en publiciteitsmedewerkers mee aan de gang moeten. ´Tja´, verzuchtte arboarts Henk Bruinink later in de discussie, ´alle vrijgekomen ruimte en tijd worden altijd weer opgevuld´. Iemand uit het publiek wist hier nog aan toe te voegen, dat vroeger, toen het nog gezellig was, iedereen altijd in het theater aanwezig was. ´We hebben er eenderde extra personeel bij gekregen en alles is goed georganiseerd. Inmiddels zijn we geen betaalde amateurs meer, maar werknemers. En het psychische bijeffect is, dat, omdat de nadruk op het werk is komen te liggen, mensen werkdruk ervaren.´

Het fenomeen werkdruk moet kennelijk eerst als zodanig ervaren worden om schade aan te kunnen richten. En de ironie wil dat binnen het theatervak professionalisering die ervaring van werkdruk schijnbaar in de hand werkt, terwijl een betere organisatie van de bedrijfsvoering juist een heilzame uitwerking op het welzijn zou moet hebben. Volgens Henk Bruinink wordt werkdruk in het theatervak inderdaad helemaal niet herkend, laat staan erkend als schadelijk voor de gezondheid, want een beetje spanning voor een optreden hoort er gewoon bij. Bruinink heeft regelmatig het genoegen om bij optredens van het Zuidelijk Toneel achter de schermen aanwezig te mogen zijn. Bij die gelegenheden pleegt hij de acteurs te helpen met de reflectie op de manier waarop zij stress opbouwen. Acteurs zijn een gevaar voor zichzelf, aldus Bruinink. Hij signaleerde dat zij bijvoorbeeld zonder warming-up het podium opgaan, als ketters lopen te roken en aan veel te veel tegelijk moeten denken.

´Maar´, zo boog Bruinink de discussie om, ´in vergelijking met de werkdruk in het bedrijfsleven valt die werkdruk in het theatervak reuze mee. Er is weliswaar sprake van piekbelasting bij technici, maar daar kunnen zij makkelijk van bijkomen in de hersteltijd. Het zijn vooral de acteurs die roofbouw plegen op hun energievoorraad. Ze doen soms zes producties tegelijkertijd, maken lange reistijden, en moeten steeds weer informatiestromen tot zich nemen. Tijd om uit te rusten nemen ze niet.´ En er is volgens Bruinink veel stress bij de marketing en de PR-mensen, omdat zij steeds weer het wiel aan het uitvinden zijn. Er is naar de smaak van Bruinink kortom nog veel te weinig sprake van een professionele werkhouding.

De meningen zijn met andere woorden verdeeld. Sommige sprekers vinden dat met de professionalisering van het theatervak de kans op negatieve werkdruk verhoogd wordt en anderen vinden met evenveel verve het tegendeel. Bruinink pleitte streng voor professionalisering en rationalisering van het vak, terwijl onder andere Henny Schwithal constateerde dat de werkdruk na de invoering van de arbeidstijdenwet en arbo alleen maar is toegenomen. Het management houdt volgens Schwihal helaas maar al te vaak de oren dicht voor klachten van de werkvloer. Daardoor verergert de situatie alleen nog maar, terwijl de problemen volgens hem vaak gemakkelijk opgelost kunnen worden. ´Als ik ingehuurd word om een ontspoorde productie weer op de rails te krijgen, heb ik in 90% van de gevallen te maken met het verhelpen van werkdrukproblemen. Na analyse van het werkproces, blijkt steevast dat voor de productieperiode en de montage 20 tot 30% te weinig tijd is ingepland, wat heel erg makkelijk op te lossen is. Dat kost natuurlijk wel extra geld, maar het werkt altijd.´
Het werkproces moet beter gemanaged worden. Daar zijn velen het roerend mee eens. Het productieproces moet beter en eerder begeleid worden en de arbocoördinator zou eigenlijk betrokken moeten worden bij het team dat een productie stuurt en inricht.

Ondanks tegenstrijdige meningen, bleek de discussie na enige tijd uitzicht te bieden op een diagnose van werkdrukverhogende factoren binnen het theatervak.
Algemeen aanvaarde oorzaken voor werkdruk zijn onder andere:
· Een slechte of ontbrekende trajectbegeleiding.
· Ongezond stressgedrag, waaronder roken, geen rust nemen, zonder warming-up aan het werk gaan, et cetera.
· Een slechte planning van zowel het gehele theaterseizoen als het werkproces van de afzonderlijke producties.
· Het ontbreken van een professionele werkhouding waardoor creatieprocessen, deadlines en dergelijke onbeheersbaar worden.

Ook over de rol die de arbocoödinator kan spelen om aan bovenstaande problemen het hoofd te bieden, ontstond een soort consensus:
· De arbocoördinator zou participant moeten worden van projectteams en vanuit die positie toe moeten zien op de planning en de begeleiding van het productieteam.
· Een arboarts zou uitgenodigd kunnen worden om met een diagnostische blik naar het creatieproces en de opvoeringen te kijken.
· Als intermediair kan de coördinator actief het arbobewustzijn vergroten en ervoor zorgen dat klachten van onderop naar boven doorgegeven worden.

Maar wacht even, iedereen blijft toch zeker verantwoordelijk voor zijn eigen welzijn en gezondheid, ´je kunt onmogelijk alles regelen of alle ellende voorkomen´, opperde iemand uit het publiek. Bovendien is de rol van intermediair van niet vrij van gevaren, vervolgde hij. Het ambitieniveau van de artistieke leiding sluit maar al te vaak slecht aan op de spankracht van de organisatie. Acteurs of musici zullen hier echter zelden over klagen, want er is voor hen in een mum van tijd weer een ander, althans zo wordt gedacht. ´En wanneer jij, als arbocoördinator, begint over de werkdruk onder acteurs of musici, veroorzaakt door de artistieke leiding, dan ben jij de gebeten hond.´ De macht ligt dus onomwonden bij de werkgever. Daar mag hij uiteraard geen misbruik van maken, net zoals hij geen misbruik mag maken van de grote betrokkenheid van uitvoerend kunstenaars die liever doorgaan tot ze erbij neervallen dan denken aan stoppen. De werkgever dient zijn werknemers te beschermen, eventueel tegen zichzelf en is verantwoordelijk voor het welzijn en de gezondheid. Als het misgaat is de werkgever verantwoordelijk. Aan de andere kant is het in sommige gevallen niet te achterhalen waar precies de werkdruk opgebouwd wordt, want acteurs en musici schnabbelen hier en daar wat bij. Het schnabbelen vormt al jaren een terugkerende reden voor conflict, want hoe bepaal je waar de individuele werkdruk begint en eindigt als uitvoerende kunstenaars hun agenda vol laten lopen met klussen. Om arbeidsconflicten voor te zijn, wordt geopperd dat de leiding van een ensemble of gezelschap betrokken zou moeten worden bij de jaarplanning van de nevenactiviteiten van de uitvoerende kunstenaars. Ook een werknemer heeft namelijk verantwoordelijkheden. Net als de werkgever kan hij langs juridische weg hieraan gehouden worden.

Aan het einde van de discussie is het begrip werkdruk nog immer een containerbegrip voor de ongezonde combinatie van stress, werkdruk en psychische belasting. Het meerkoppige monster kruipt volgens de een tevoorschijn, uitgerekend op het moment dat je de zaak goed regelt, terwijl het monster volgens de ander juist op de loer blijft liggen en steeds weer toehapt als je niets doet. Kortom, het theaterbedrijf is in transitie en het zal nog wel even duren voor het in rustiger vaarwater verkeert. Mensen houden niet van veranderingen, en ervaren werkdruk door koerswijzigingen. Werkdruk is trouwens niet gelijk de oorzaak van ziekte of arbeidsongeschiktheid, maar wordt dan ook vaak niet erkend, noch herkend als oorzaak. Om erachter te kunnen komen waar de schoen precies wrikt, moet er meer geklaagd worden. Dat is niet alleen op zichzelf al een gezonde bezigheid, als het verstandig gebeurt, levert het ook nog inzichten op waarmee de werksituatie verbeterd kan worden.  

Implementatie van arbobeleid

Download: Productie RI&E in het Engels (pdf)
Download: Toelichting PRI&E in het Engels (pdf)
Download: Manual PRI&E in het Engels (pdf)
Artikel: Wetten, plichten en de Arbeidsinspectie
Artikel: Het hele arbotraject nog even op een rij
Artikel: Implementatie van arbobeleid
Website: www.arbobondgenoten.nl, website van FNV Bondgenoten
Website: www.arbo.pagina.nl, startpagina voor arbozaken
Website: www.miniszw.nl, website van het Ministerie van SZW
AanstellingskeuringArbobeleid in de organisatieArbocoördinator en preventiemedewerkerPlan van AanpakProductie risico inventarisatie & evaluatie (PRI&E)Risico inventarisatie & evaluatie (RI&E)Samenwerkende werkgeversVoorlichting en onderrichtWerkdrukImplementatie van arbobeleid

Verslag Arboseminar, juni 2001

Uit: Zichtlijnen, september 2001

Een paneldiscussie met Frans Huneker (technisch directeur Muziektheater), Koen Koch (hoofd techniek bij Theater De Lieve Vrouw), Gerard van der Maat (Arbeidsinspectie) en Jan Michiel Meeuwsen (TNO Arbeid)

Een verslag van Eric de Ruijter

Frans Huneker, die voor zijn functie bij het Muziektheater als ingenieur in de bouw werkzaam was, steekt onmiddellijk van wal over de verschillen van arbo in de podiumkunsten en de bouw. Het grote verschil is dat in de bouw al vanaf de jaren tachtig aan arbo gewerkt wordt en dat alles landelijk gestructureerd is. Bij het Muziektheater heeft hij te maken met artistieke teams die uit alle delen van de wereld komen. Arbo valt dan niet uit te leggen. Hierdoor heeft hij altijd te maken met een spanningsveld tussen de techniek en het artistieke.

“In het theater wordt een ‘nee’ van de technische dienst al snel gezien als een inbreuk in het artistieke proces, waarbij de oplossing samen met de regisseur of de makers uitgevochten dient te worden. Als je in de bouw echter geen helm op hebt, vlieg je eruit”, aldus F.H.. G.vdM. voegt daaraan toe dat men in het theater weinig afstand tot het product heeft. Hoe leidt je het proces bij grote producties dan in goede banen? Door allereerst conflicten te vermijden, in een vroeg stadium de mogelijkheden te bespreken en de zaken om te draaien, door te zeggen: ‘wat kan wel’.

De Theatercompagnie had bij de productie Lulu in een late fase dit soort frictie tussen veiligheid en artistieke noodzaak. Mede omdat er op arbo-gebied veel onduidelijk was, moest men in een late fase, toen de voorstelling al speelde, bovenop een dak nog een hekje plaatsen. In dit geval had de Oostenrijkse decorontwerper de Oostenrijkse normen in het hoofd en de technische ploeg van de Theatercompagnie die van de werkvloer.

De vraag is of je het met richtlijnen redt. Nee, is het antwoord. Je moet communiceren, de problemen aangeven op het technische fiche en de ontwerper moet het weten. En de timing is belangrijk.

F.H. vind dat je een productie al in een zeer vroeg stadium moet toetsen aan de arbobestendigheid. In die fase kan je nog van alles veranderen en is er nog geld beschikbaar. Bij het Muziektheater vormen de arbocoördinator en de technisch directeur een eenheid. Ze hebben dagelijks contact. Maar hoe goed je je ook voorbereid, als een buitenlandse productie te laat is met het technische fiche en er zijn problemen, rest er niets anders dan rekening te houden met het ter beschikking hebben van extra personeel. Dit brengt uiteraard extra kosten met zich mee die door de praktijk van het reizen en ontvangen vaak niet kunnen worden teruggehaald. Bij de eigen producties worden daarentegen nauwelijks extra kosten gemaakt.

Aryan Kleykamp van de Almeerse Theaters stelt de vraag hoe je voorkomt dat arbobeleid niet meer adhoc gebeurt. K.K. antwoordt met het kernbegrip van deze sessie: “Door er vroeg bij te zijn”. “Je moet het zo organiseren dat er geen extra budget nodig is. Je moet in feite al beginnen bij het programmeren.” Aryan Kleykamp is echter niet snel tevreden en vraagt door over normering en het organiseren van arbo in relatief kleine organisatie.

G.vdM. repliceert: “Ik hoor dweilen met de kraan open. Je moet sturen naar beheersing. Arbo is niet heilig en niet moeilijk. Het gaat vaak om het gebruiken van het gezond verstand. En van het gros van de zaken zijn de normen bekend. Het gaat veelal om gegevens die beschikbaar zijn. Bijvoorbeeld bij decorbouw is precies bekend welk spijkertje waarvoor mag dienen. Die stap moet je maken: alles goed bekijken.” Hoe organiseer je het naar boven toe?

G.vdM. roept een VPT-bijeenkomst in herinnering waarbij er stemkastjes aanwezig waren. De uitslag van de stemmingen wees duidelijk op een sfeer van de directie en wij. Is dat veranderd? Zo niet, dan moet er nog meer communicatie en begrip komen, en moet men wellicht een dagje op de hei gaan doorbrengen. K.K.: “Je moet duidelijk maken dat er geen tegengestelde belangen zijn. Net als een budget dat is, moet arbo een randvoorwaarde zijn.”

De vraag wordt aan K.K. gesteld of hij de weg van handboek heeft gevolgd bij de implementatie van arbo. K.K. legt uit dat aan de hand van het handboek het gebouw onder de loep is genomen. Er was bijvoorbeeld een vluchtweg over het toneel. Besloten werd tot een verbouwing van de zaal en daarin alle arbo-zaken mee te nemen. Het gebouw is ook de verantwoordelijkheid van de gemeente. Arbobeleid is gewoon beleid. Eigenlijk zou je het woord moeten vermijden. Om bijvoorbeeld de gemeente te overtuigen van een verbouwing kan je bijvoorbeeld ‘van de verzekering moet het’ als argument gebruiken en uiteraard ook de veiligheid in het algemeen.

De rol van de Arbeidsinspectie wordt onder de loep genomen. Hoe streng is men, hoe gaat men met de zaken om? Als voorbeeld dient de beruchte rolsteiger. Een rolsteiger mag niet meer gebruikt worden, maar als een theater geen geld heeft voor iets anders, dan is het gebruik van een klimtouw en tuigje in combinatie met de steiger een voor de A.I. aanvaardbaar alternatief. De arbowet is volgens G.vdM. niet zo dwingend als men denkt. Er zijn allerlei creatieve oplossingen te bedenken. Als een risico is herkend en men heeft nagedacht, kan het zijn dat oplossing 1 niet haalbaar is, maar wellicht is oplossing 2, 3 of 4 dat wel. Op dat moment gaat de A.I. uit van het redelijkerwijs-principe. K.K. vraagt zich hardop af of verzekeraars even redelijk zijn.

Het wordt weer gezegd: arbo valt niet weg te contracteren. De werkgever blijft altijd aansprakelijk. Hooguit kan een werkgever – wanneer het mis is gegaan – bij de rechter aantonen dat deze alles aan veiligheid heeft gedaan. En ook wordt net als in een andere sessie benadrukt dat vrijwilligers er net zo goed bijhoren als betaalde werknemers: heb je 50 vrijwilligers in de techniek rondlopen dan moeten deze allemaal veiligheidschoenen dragen. Komt er een kluit op een teen, dan krijgt de werkgever een boete.

De vraag wordt gesteld of er meer behoefte is aan kennis. Iedereen reageert uit angst voor arbo met oogkleppen op. Veel mensen kennen de regels niet en ook veel aanwezigen hebben de reader niet tot nauwelijks gelezen. Siang Lie merkt op dat het om een cultuuromslag gaat: “Je moet eerst denken en dan doen. Het is gewoon beleid.” Natuurlijk botst dat met de natuurlijke gewoonte van de techniek om maar door te gaan. F.H. echter heeft ook net iemand vervangen die door z’n uren heen was en daardoor een productie niet verder kon draaien. Ook K.K. erkent dat het enthousiasme en gewoontedenken op de vloer een belemmering voor arbobeleid zijn. Hoe voorkom je dit stoort ‘hobbyisme’? Door meer relativering en door arbo er niet bij te doen. G.vd M. ziet het echter anders: ‘Bevlogenheid en doordraven moet je beschouwen als belangrijke energiebronnen.”

Wapens

Artikel: Niet schieten… ik ben maar de toneelspeler
Wapens

Wapens met scherpe kanten, sneden en punten mogen niet worden gebruikt.

Alle in het theater te gebruiken schietwapens moeten zo zijn bewerkt dat het gebruik van scherpe munitie onmogelijk is. Ze moeten na het derde deel van de loop achter de patronenhouder doorboord worden zodat de gasdruk naar boven en naar onderen kan ontsnappen. Voor duelleerwapens, waarbij het effect zichtbaar moet zijn, moet de springstoflading zodanig zijn afgepast dat geen verwonding van de medewerkende acteurs kan optreden. De voor deze enscenering noodzakelijke veiligheidsmaatregelen moeten in het draaiboek worden vastgelegd. De acteurs moeten hierover worden ingelicht.

In het schootsveld mogen zich alleen de onmiddellijk daarbij noodzakelijke personen ophouden.

Bij het gebruik van wapens is het verboden:
– in de richting van het publiek te schieten
– in personen te steken of op ze te schieten
– bij gebruik van praktikabels vóór personen op de vloer te schieten zodat vreemde elementen als spijkers, zand of houtsplinters door de uit het wapen ontsnappende gasdruk omhoog geschoten zouden kunnen worden.

Niet schieten . . ., ik ben alleen maar de toneelspeelster

Over wapengebruik in het theater

Uit: Zichtlijnen 69, 1999)

Coen Jongsma 

Hoewel menigeen beweert dat onze samenleving alsmaar gewelddadiger wordt zijn er toch maar weinig mensen die echt verstand hebben van wapens. Wie in het theater met pistool, machinegeweer of revolver aan de gang wil doet er goed aan niet zomaar op zoek te gaan naar het gewenste schiettuig, maar zich eerst uitvoerig te laten informeren. De gewelddorstige theatermaker kan daarvoor terecht bij een van de gespecialiseerde wapenverhuurbedrijven die in Nederland actief zijn. Wapengebruik op het toneel gaat niet zo maar: de patronen mogen niet te zwaar zijn, de vinger moet van de trekker af blijven en voor bijna alles is een vergunning nodig. En let vooral op het knalgevaar bij een gespeelde zelfmoord.

De optredens van de Amerikaanse avantgarde-componist/pianist George Antheil verliepen vaak nogal rumoerig. Maar daar wist hij wel iets op. Na een onrustig eerste deel van een optreden in de Philharmonie in Boedapest verzocht hij de zaalwachten de deuren op slot te doen. Daarna trok hij een doorgeladen ‘.32 Automatic’ uit zijn jasje (hij ging nooit ongewapend het podium op) en legde dit wapen met een luide plof op de vleugel voor zich neer. Prompt wist hij zich verzekerd van de onverdeelde aandacht van het publiek. Dit speelde zich af in 1923.

Het theater is een van die zeldzame gebieden in de maatschappij waar regelmatig vuurwapens worden gehanteerd. Misschien niet meer op de manier waarop George Antheil dat deed, maar dat het gebruik van vuurwapens omgeven is met een serie complexe veiligheidsvraagstukken lijdt geen twijfel. Zowel de veiligheid in het gebruik, de gevolgen van ongewenste vermenging van theaterillusie met de werkelijkheid en de reële mogelijkheid dat de vuurwapens in verkeerde handen vallen, zijn daarbij in het geding. Wie een vuurwapen nodig heeft kan bij een speelgoedwinkel een klapperpistool kopen; om het echter te laten lijken kan er, ook al is dat illegaal, nog een likje zwarte verf overheen. Als het er overtuigender uit moet zien en vooral moet klinken, is de kans groot dat je terecht komt bij een van de vijf verhuurbedrijven die een erkenning hebben van het ministerie van Justitie voor het verhuren van vuurwapens.

Uit België (zonder vergunning)

‘Godzijdank worden we in de maatschappij zelden geconfronteerd met vuurwapens, maar dat heeft voor mij tot gevolg dat hier regelmatig mensen komen die er geen idee van hebben welk vuurwapen ze nodig hebben’, zegt eigenaar Jarg de Boer van Anta Uniformen en Wapens in Soest. ‘Soms blijkt pas tijdens het derde bezoek, als de inspiciënt of productie-assistent ook een plaatje meeneemt, dat de regisseur in plaats van een revolver een pistool bedoelde, of een machinegeweer. Het moet ook altijd snel snel, maar met de aanvraag van een vergunning zijn vaak al vier weken gemoeid. Dit leidt ertoe dat er vaak via via iets geleend wordt of dat iemand in België een wapen koopt, de benodigde vergunningen blijven dan meestal achterwege.’

Anta is een van deze bedrijven met een verhuurvergunning. De Boer legt graag uit wat er allemaal komt kijken bij de keuze van het juiste wapen en de juiste munitie.

Hij gaat er prat op dat hij elk uniform en elk vuurwapen kan leveren. Uit elke periode en elk land. Aan authenticiteit worden geen concessies gedaan. Zelfs de Koninklijke Marine klopt bij hem aan als daar een tekort aan uniformen is. Wat de vuurwapens betreft kan de klant putten uit een arsenaal van fascinerende omvang, dat afgezien van een aantal imitatiewapens voornamelijk bestaat uit omgebouwde ‘echte’ vuurwapens. Ongeveer 2000 vuurwapens, variërend van minuscule schietpennen tot zwaar luchtafweergeschut, daar tussenin alle geweren, mitrailleurs, karabijnen, pistolen en revolvers, en de meeste zijn in elk gewenst aantal leverbaar. Voor deze voorraad bestaat een grote belangstelling bij theaterproducenten, de fotografie, film- en televisiewereld en organisatoren van (bedrijfs)evenementen.

Onomkeerbaar onklaar

Vuurwapens waarmee knalpatronen afgeschoten kunnen worden zijn oorspronkelijk geproduceerd voor het afschieten van projectielen. Om een vuurwapen op het toneel te mogen gebruiken moet het onomkeerbaar onklaar gemaakt zijn voor gebruik met scherpe patronen. Daartoe wordt de diameter van de loop drastisch verkleind, een kleine opening resteert voor het laten ontsnappen van de druk en de vlam.
Jarg de Boer adviseert altijd een afstand van drie meter aan de kant van de vuurmond in acht te nemen en altijd net náást iemand te mikken. ‘Je kunt best zo’n zelfmoordscène doen waarbij iemand een pistool tegen zijn oor houdt en de trekker overhaalt. Maar dan moet je wel veel stand-ins inhuren, want zo’n klap overleef je niet. Uit de loop komt een stevige vlam en dito drukgolf. Wil je een vuurwapen vlakbij een hoofd gebruiken, dan moet de loop volledig worden afgedicht en moeten er andere ontsnappingswegen voor de druk worden aangebracht. Maar dan nog zie ik dergelijke scènes niet graag. Er wordt mijns inziens iets te makkelijk gedacht “het is maar een losse flodder”… Ja, het is maar een losse flodder – maar van een te zware losse flodder kan een wapen in je handen uiteenspatten. Daarom, en omdat elk wapen zijn eigen patroon heeft, staat ook in onze voorwaarden dat wapens uitsluitend met door ons geleverde patronen geladen mogen worden.’

Een losse flodder bestaat uit het kruithoudende deel van een patroon met een slaghoedje voor de ontsteking. Het patroon kan met het hevig rokende, geurende en navonkende zwart kruit gevuld worden en met het veiliger, rook- en geurarme nitrocellulose. Door te variëren met de hoeveelheid kruit bestaat er controle over het geluidsvolume van de knal. Op de plaats waar het projectiel hoort te zitten is de huls dichtgeknepen of met een speciaal kartonnetje afgedicht. Omdat de tegendruk van een projectiel ontbreekt komt het kruit niet tot een optimale verbranding. Daardoor zitten er in de stroom gassen die het wapen verlaat veel onverbrande kruitdeeltjes. Die krijg je in je gezicht als je te dichtbij staat, maar ook koeken ze in de loop aan. Als het wapen niet regelmatig wordt schoongemaakt ontstaat het gevaar dat het wapen op een gegeven moment een gigantische vuurbal uitblaast.

Historisch correct

Van de vuistvuurwapens leent een revolver zich volgens Jarg de Boer in het algemeen beter voor gebruik op het toneel dan een pistool. Voornamelijk omdat de werking van een revolver inzichtelijker is en minder wapenkennis vereist. Bij een pistool vindt het ‘kameren’ van een patroon vanuit het magazijn inwendig plaats en is het veel minder duidelijk of de veer gespannen is. Bij een revolver zijn bovendien de bedrijfszekerheid en de manipulatiemogelijkheden met het geluidsvolume groter omdat die voor zijn mechanische werking niet afhankelijk is van de reactiekracht van het projectiel. Door het ontbreken van een projectiel blijft het mechaniek van een pistool relatief vaak hangen en is er naar verhouding altijd een grote hoeveelheid kruit nodig, waardoor het lastig wordt om in een kleinere zaal niet een oorverdovende klap te produceren.

Voor pistolen en volautomatische wapens geldt dat vooraf bekend moet zijn vanaf welke plek geschoten gaat worden. Bij deze wapens vliegen de hulzen met een stevige vaart uit het wapen, wel drie meter of verder. Bij het ene wapen aan de linkerkant, bij andere rechts en weer andere in een boogje over het hoofd van de schutter. Het zal in de meeste gevallen ongewenst zijn dat de hulzen tegen medespelers, in de orkestbak of het publiek terechtkomen. Daarnaast spelen vragen over de mate waarin het wapen historisch correct moet zijn, de manier waarop een wapen in de kleding gedragen wordt en gewicht en kleur een rol bij de juiste keuze van een vuurwapen.

Verdraaglijk gerikketik

Voor een indruk van de verschillende geluidsniveaus en het verschil tussen enkelschots- en meerschotswapens gaan we de werkplaats in waar wapens worden omgebouwd en de patronen gevuld. Anta’s vuurwapenspecialist Fred de Vries zoekt een aantal wapens uit voor een korte demonstratie: ‘Elk wapen heeft zijn eigen klankkleur’, merkt hij op voordat hij van een Glock pistoolmitrailleur de trekker overhaalt. Het enkele schot klinkt behoorlijk scherp, het salvo dat volgt doet, ondanks de gehoorbescherming, horen en zien vergaan. Daarna laadt hij een chroomkleurige Smith & Wesson revolver met een zwaar patroon. Alles rinkelt en trilt ervan. De gehoorbescherming voorkomt nog net doofheid, maar de druk en de knal dringen diep in de organen door: een welhaast zuivere bijna-dood-ervaring. Het regelmatige gerikketik van een FAL machinegeweer hierna is best verdraaglijk. De vlammen die uit de vuurmond blazen zijn, samen met een toenemende hoeveelheid kruitdamp, zeer spectaculair en een sterk argument voor het bewaren van minimaal drie meter afstand.

Deze demonstratie toont overtuigend aan met hoeveel geweld het afschieten van losse flodders gepaard gaat en levert voldoende gronden voor de noodzaak tot het vermijden van verrassingen door wapens die op het verkeerde moment, of zonder voorafgaande waarschuwing bij het testen voor een voorstelling, afgaan. Fred de Vries wijst erop dat vrijwel iedereen die een wapen in zijn handen krijgt meteen zijn wijsvinger om de trekker legt. ‘Dat is het eerste wat we acteurs moeten afleren. Uitsluitend en alleen wanneer je gaat schieten mag je de trekker aanraken. Stel dat je struikelt terwijl je ergens achterop een donker toneel tussen de decors loopt.’

Vijf categorieën

Discipline blijkt het sleutelwoord in de omgang met vuurwapens. Dat geldt evenzeer voor de juridische aspecten van het gebruik van vuurwapens. Een vinger in de rug prikken bij iemand die voor een geldautomaat staat en om de pin-code vragen, is een overtreding van de vuurwapenwet. Het laten zien van een wapen aan mensen die er niet van op de hoogte zijn dat hier sprake is van theatraal gebruik is dat uiteraard ook.

Er doen talrijke verhalen de ronde over situaties waar acteurs op de openbare weg met wapens lopen te zwaaien, op weg naar een voorstelling of bij geënsceneerde ontvoeringen waar de politie niet van op de hoogte is gesteld. Dit leidde in veel gevallen tot aanhoudingen en veroordelingen. Minstens zo ernstig zijn de diefstallen van wapens uit kleedkamers en van het toneel. Er zijn overvallen gepleegd met houten wapens die bij een voorstelling gestolen waren en bij het ministerie van Justitie is een geval bekend van een moord die gepleegd werd met een uit een theater gestolen wapen nadat de dieven het weer hadden omgebouwd voor scherpe munitie.

Wapens zijn voor de wet ingedeeld in vijf categorieën. Wie niet voor verrassingen wil komen te staan informeert bij elk gebruik in welke categorie het beoogde wapen valt. Sommige wapens, zoals bijvoorbeeld een dichtgelast grendelslotgeweer, bepaalde alarmpistolen en imitatiewapens vallen onder een vrijstelling. Een vergunning voor gebruik in de beslotenheid van een theaterzaal is dan niet nodig. Het gebruik van echte of op echt gelijkende revolvers, pistolen en machinegeweren is verboden. Alleen erkende bedrijven mogen wapens onklaar maken, zelf knutselen aan een wapen is goed voor een boete van 25.000 gulden of negen maanden celstraf. Voor onklaar gemaakte wapens kan de politie van de gemeenten waar de wapens gebruikt en bewaard worden, een tijdelijk verlof verlenen. Pas met die toestemming kunnen wapens bij een verhuurder worden opgehaald. De verlofhouder, die bij elk gebruik van het wapen lijfelijk aanwezig moet zijn, is persoonlijk aansprakelijk voor veilig gebruik, transport en opslag.

Dergelijke verloven worden in vrijwel alle gevallen verleend. Voor het meenemen naar het buitenland is een zogenaamd consent van uitvoer en wederinvoer nodig. Uiteraard moet dan ook worden voldaan aan de wetgeving in het land waar de wapens worden gebruikt.

Theatergezelschap als wapenverzamelaar

Het beleid ten aanzien van wapenbezit is de laatste jaren aangescherpt. En dat heeft zelfs voor de volstrekt integere theaterwereld zijn consequenties.

Deze verscherping komt vooral tot uitdrukking in de afgenomen bereidheid van de politie om aan toneelgezelschappen het bezit van een eigen wapenvoorraad toe te staan.

De politie heeft liever dat het gebruik van vuurwapens via de erkende verhuurbedrijven verloopt. Vanwege de kosten en rompslomp die daarmee gemoeid zijn, of vanwege de opvatting dat een gezelschap ook een collectionerende taak heeft, geven sommige toneelgezelschappen er echter de voorkeur aan zelf wapens aan te schaffen. In het verleden zijn er voor dat doel wapenvergunningen verstrekt aan toneelmeesters.

Voor het verkrijgen van zo’n vergunning moet de aanvrager een redelijk belang kunnen aantonen. Die redelijkheid wordt tegenwoordig nauwelijks nog erkend omdat er nu eenmaal verhuurbedrijven zijn. Het is nog niet zo ver dat de vuurwapens die toneelgezelschappen of productiehuizen in bezit hebben ingeleverd moeten worden bij de politie. Dat zal wel moeten als de politie onzorgvuldig gebruik constateert.

Twintig jaar geleden zag de toen vijfjarige zoon van Jules Croiset zijn vader doodgeschoten worden op het toneel. Hij moest gillend de zaal uit geholpen worden. Tot op de dag vandaag wordt aan dit voorval gerefereerd in studies over de dunne grens tussen werkelijkheid en verbeelding. De kunstacademie-studente die onlangs een machinepistool huurde bij Jarg de Boer ‘voor een foto in een grijs kostuum’ had niet zo’n benul van die grens. Het bleek dat ze in dat grijze kostuum voor een bankfiliaal was gaan staan.

 

Taakverdeling in en om de organisatie

Artikel: Succesvol Arbobeleid
Artikel: Goed Arbobeleid is geïntegreerd beleid
Artikel: De arbocoördinator: wil, weg en wet
Artikel: De taken van de arbocoördinator
Artikel: Taakverdeling in en om de organisatie
Artikel: Positie en opleidingen van arbocoördinatoren
Artikel: Arbo-opleiding en de praktijk van de podiumtechnicus
Serie: Op zoek naar de arbocoördinator 1, Rob Roos, Theater aan de Schie
Serie: Op zoek naar de arbocoördinator 2, Walter van Elteren, Theatercompagnie
Serie: Op zoek naar de arbocoördinator 3, Robert Vonkeman, Noord Nederlands Toneel
Serie: Op zoek naar de arbocoördinator 4, Ton Driessen, Wetten van Kepler
Serie: Op zoek naar de arbocoördinator 5, Chris Gorissen, Het Vervolg
Serie: Op zoek naar de arbocoördinator 6, Johan van der Kooy, De Paardenkathedraal
AanstellingskeuringArbobeleid in de organisatieArbocoördinator en preventiemedewerkerPlan van AanpakProductie risico inventarisatie & evaluatie (PRI&E)Risico inventarisatie & evaluatie (RI&E)Samenwerkende werkgeversVoorlichting en onderrichtWerkdrukTaakverdeling in en om de organisatie

Uit Reader Arboseminar 2001

In deze paragraaf zal voor de verschillende (soorten) functies worden beschreven welke taken zij krijgen (maar in vele gevallen al hebben) voortvloeiend uit een goed beheer van de arbo-zorg. In kleine organisaties zal een deel van de genoemde functionarissen niet voorkomen. Daarmee bestaan de taken nog wel, maar zijn zij geconcentreerd bij één persoon. In een organisatie van 10 mensen is de directeur vaak èn de baas, èn de personeelsfunctionaris, èn de direct leidinggevende voor iedereen. We omschrijven voor de duidelijkheid wel meerdere hiërarchische niveaus.

1. Directie
De directie dient er voor te zorgen dat het ondernemingsbeleid mede gericht wordt op optimalisering van de arbeidsomstandigheden. Dit houdt in dat zij er voor zorgt dat er een arbo-beleid van de grond komt op de wijze zoals ook de rest van het ondernemingsbeleid tot stand komt. Dit betekent:
– zorgen voor een intentieverklaring;
– formuleren van concrete beleidsdoelstellingen;
– bepalen van de strategie om deze doelstellingen te realiseren, inclusief de daarvoor benodigde middelen (tijd en geld);
– aanpassen van de organisatie aan deze gekozen strategie (waaronder het vastleggen en communiceren van bevoegdheden en verantwoordelijkheden);
– bewaken van de uitvoering;
– een voorbeeldfunctie vervullen;
Dit geheel van maatregelen dient in overleg met de Personeelsvertegenwoordiging (OR) tot stand te komen. Vanzelfsprekend is echter ook, dat overleg wordt gevoerd met de lijnfunctionarissen die dit beleid (doen) uitvoeren en ondersteunen.

2. Leidinggevenden
Afgezien van het in de vorige paragraaf genoemde hebben leidinggevenden een aantal specifieke arbo-taken:
– het formuleren van het arbo-beleid voor hun aandachtsgebied;
– het zich op de hoogte houden van de arbo-situatie in hun aandachtgebied;
– toezicht op de naleving van voorschriften en regels;
– het bewaken van de uitVoering van het arbo-plan;
– het houden van werkoverleg met al hun directe medewerkers;
– het ondersteunen van hun medewerkers op het functioneren op arbo-gebied;
– het instrueren van nieuwe medewerkers;
– een voorbeeldfunctie vervullen.

3. Uitvoerende medewerkers
Naast hun taak om gevaren voor veiligheid en gezondheid voor henzelf en anderen zo veel mogelijk te vermijden hebben zij vanuit artikel 12 van de arbowet een aantal specifieke plichten:
– machines, apparaten, hulpmiddelen e.d. op de juiste manier gebruiken;
– de noodzakelijke persoonlijke beschermingsmiddelen goed gebruiken en onderhouden;
– beveiligingen intact te laten en goed gebruiken;
– mee te werken aan voorlichting en instructie;
– gevaren voor veiligheid en gezondheid direct aan de leiding te melden,
– waar nodig medewerking verlenen aan de Arbodienst.

Uitvoerende medewerkers hebben derhalve een duidelijke eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van hun arbeidsomstandigheden. Juridisch gesproken genieten zij echter (nog steeds) een tamelijk beschermde positie ten opzichte van de werkgever.

4. Stafmedewerkers en arbodienst

De directie dient er voor te zorgen dat het ondernemingsbeleid mede gericht wordt op optimalisering van de arbeidsomstandigheden. Dit houdt in dat zij er voor zorgt dat er een arbo-beleid van de grond komt op de wijze zoals ook de rest van het ondernemingsbeleid tot stand komt. Dit betekent:
– zorgen voor een intentieverklaring;
– formuleren van concrete beleidsdoelstellingen;
– bepalen van de strategie om deze doelstellingen te realiseren, inclusief de daarvoor benodigde middelen (tijd en geld);
– aanpassen van de organisatie aan deze gekozen strategie (waaronder het vastleggen en communiceren van bevoegdheden en verantwoordelijkheden);
– bewaken van de uitvoering;
– een voorbeeldfunctie vervullen;
Dit geheel van maatregelen dient in overleg met de Personeelsvertegenwoordiging (OR) tot stand te komen. Vanzelfsprekend is echter ook, dat overleg wordt gevoerd met de lijnfunctionarissen die dit beleid (doen) uitvoeren en ondersteunen.

Elke stafmedewerker heeft uiteraard tot taak, in al zijn adviezen en besluiten rekening te houden met het arbobeleid van de organisatie. Enkele specifieke taken van veel voorkomende staffuncties willen wij hier noemen:
– bij inkoop en technische dienst dient bij de aanschaf van nieuwe apparatuur niet alleen met de functie en de kosten daarvan rekening gehouden te worden, maar ook aan het bedieningsgemak, geluidsniveau, onderhoudsmogelijkheden, ergonomische aspecten etc. (het is trouwens aan te bevelen de medewerkers die met de betreffende apparatuur moeten werken mee te laten beslissen over aankoop of constructie);
– de personeelsfunctionaris dient bij de adviezen rekening te houden met de risico’s die de verkeerde mens op de verkeerde plaats kan veroorzaken;

De Arbodienst is de adviesorganisatie waar de benodigde deskundigheid op arbo- en verzuimgebied bestaat. Elke werkgever in Nederland is verplicht zich bij een gecertificeerde Arbodienst aan te sluiten. De Arbodienst adviseert over arbobeleid en de risico-inventarlsatie en -evaluatie begeleidt bij ziekteverzuim. In een Arbodienst werken arbo-deskundigen als een bedrijfsarts, een veiligheidskundige, een arbeids- en organisatiekundige, een arbeidshygiënist, een ergonoom, etc. De Arbodienst heeft dus (als een externe stafdienst) een advies- en ondersteuningstaak ten aanzien van de zorg voor arbeidsomstandigheden. In elk geval adviseert de arbodienst bij de uitVoering van de risico-inventarlsatie en -evaluatie, verricht zij periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek, houdt spreekuur en adviseert t.a.v. het arbo-beleid in het algemeen. Deze taken zijn wettelijk verplicht.

5. Personeelsvertegenwoordiging (OR)
Voornaamste taak van de Personeelsvertegenwoordiging (OR) is het stimuleren van de directie tot arbo-beleid en het toetsen van dat beleid.

6. Arbocoördinator
Bij verschillende organisaties kent men de functie Arbocoördinator. De verschillende taken voor de Arbocoördinator zijn als volgt samen te vatten:
– werkzaamheden verrichten ter voorbereiding van het Arbobeleid;
– voorbereiden van praktische uitvoeringsvoorschrlften;
– het jaarlijks, in concept, opstellen van het Arbo-jaarplan (voor 100+ organisaties);
– het jaarlijks, in concept, opstellen van het Arbo-jaarverslag (voor 100+ organisaties);
– het, in concept, toetsen van het Arbo-beleid;
– het eventueel voeren van overleg tussen werkgever en werknemersvertegenwoordiging.

Verantwoordelijkheden die niet bij de Arbocoördinator thuishoren zijn onder andere:
– verantwoordelijk zijn voor het Arbeidsomstandighedenbeleid;
– verantwoordelijk zijn voor het jaarplan en het jaarverslag.

Voor het gemak kunnen we de medewerker die met de uitvoering van de RI&E belast wordt arbocoördinator noemen.

7. Arbeidsinspectie (Al)
De Al is de handhavende macht vanuit de overheid, zoals de Verkeerspolitie toeziet op naleving van de Wegenverkeerswet. De Al heeft in de Arbowet verschillende taken en bevoegdheden toebedeeld gekregen. De hoofdtaak bestaat uit het handhaven van de wet. Hiertoe zijn verschillende bevoegdheden aan de inspecteurs van de Al toegekend, onder andere de verplichting dat een werkgever altijd toegang moet verlenen aan de inspecteurs.

In situaties dat er overtredingen plaatsvinden, er een direct gevaar voor de gezondheid of de veiligheid bestaat, heeft de AI de bevoegdheid om het werk stil te leggen of een dwingende eis ter verbetering op te leggen.

De AI gaf daarnaast vroeger richtlijnen uit voor een goede inrichting van een werkplek, gepubliceerd in de vonn van publicatiebladen (p-bladen). Deze zijn vervangen door beleidsregels. Als een werkplek (vroeger) volgens de aanbevelingen van de oude P-bladen werd ingericht werd voldaan aan de minimale nonnen van de AI. Een publikatieblad is echter geen wet en heeft derhalve ook geen wetskracht. De beleidsregels hebben meer rechtskracht. De rol van de Al is veradnerd. Werd tot voor enkele jarenb nog aangegeven hoe een werkplek moest worden ingericht, in de toekomst zal dit niet of nauwelijks nog gebeuren. In verband met de aansprakelijkheid voor de gegeven adviezen treedt de AI minder regelend op. De werkgever wordt verplicht een Arbo-beleid te voeren en voor een zodanige inrichting te zorgen dat aan de eisen voor veiligheid, gezondheid en welzijn wordt voldaan. Bij het in gebreke blijven zal in alle gevallen de schuld bij de werkgever worden gelegd. De benodigde kennis om tot een optimale werkplekinrichting te komen kan (moet) de werkgever betrekken bij een gecertificeerde Arbodienst. Uiteindelijk blijft de werkgever verantwoordelijk en aansprakelijk voor goede arbeidsomstandigheden.

Pyrotechniek

Artikel: Duizend bommen en granaten, discussieverslag VPT-dag
Artikel: Besluit: vuurwerk eruit
Artikel: Deskundig toezichthouder en de VPT
Artikel: Six Flags-bijeenkomst over special effects, veiligheid en crowd control
Pyrotechniek

Voor het gebruik van vuurwerk gelden regels ten aanzien van brandveiligheid die (nu nog) door de plaatselijke overheid (brandweer) worden vastgesteld. Hoewel die in grote lijnen overeen  komen kunnen plaatselijk verschillen voorkomen in te nemen maatregelen. De Woningwet schrijft voor dat gemeenten voorschriften over brandveilig gebruik van bouwwerken moeten opnemen in de gemeentelijke bouwverordening. Deze voorschriften verschillen per gemeente. Het ‘Gebruiksbesluit brandveilige bouwwerken’, kortweg het Gebruiksbesluit genoemd, treedt naar verwachting halverwege 2008 in werking. In het Gebruiksbesluit worden de brandveiligheidseisen voor iedereen in elke gemeente gelijk.

Vakbekwaamheid vuurwerkdeskundigen

Per 1 maart 2002 zijn er eisen aan de vakbekwaamheid van ‘vuurwerkdeskundigen’ gesteld. Zo moeten zij naast hun eigen veiligheid ook de veiligheid van het publiek bij het afsteken van professioneel vuurwerk (bijvoorbeeld in het theater of bij een groot evenement) kunnen waarborgen. Om hun certificaat van vakbekwaamheid te behouden, moeten zij hun vaardigheden aantoonbaar blijven bijhouden. Om dat na te gaan wordt de werkervaring van vuurwerkdeskundigen voortaan geregistreerd. Professioneel vuurwerk mag alleen worden bewerkt en afgestoken door een deskundige die een ‘certificaat van vakbekwaamheid’ heeft. Ook is vastgelegd dat bij het afsteken van professioneel vuurwerk vooraf een werkplan gemaakt moet zijn. In de arbeidsomstandighedenregeling is vastgelegd wat de eisen zijn waaraan de vakbekwaamheid van de deskundige en het werkplan moeten voldoen.

KIWA verstrekt de vuurwerkdeskundigen na afronding van hun opleiding het verplichte certificaat van vakbekwaamheid. Er wordt een onderscheid gemaakt in twee soorten certificaten: een certificaat ‘groot vuurwerk’ voor evenementen en een certificaat voor speciale effecten met vuurwerk in theater of film. Voor meer informatie kunt u terecht op de webpagina van het KIWA: www.vuurwerkbedrijven.nl.

Meer informatie:

[Fernsehen, Hörfunk und Film Pyrotechnik in Veranstaltungs- und Produktionsstätten für szenische Darstellung]
BGI 812 – SP 25.1/4 Verwaltungs-Berufsgenossenschaft Januar 2002

 

 

‘Deskundig Toezichthouder Vuurwerk’ en de VPT  

Uit: Zichtlijnen 79. 2001

 
Het middagprogramma van de afgelopen Algemene ledenvergadering was gewijd aan de toekomst van de pyrotechniek in het theater (zie het verslag daarvan elders op deze pagina’s, alsmede het artikel van Coen Jongsma in Zichtlijnen nr 76) .
Er wordt hard gewerkt om een certificering op te zetten voor ‘Deskundig Toezichthouder Vuurwerk’, waarmee nauwkeurig wordt omschreven waaraan iemand moet voldoen voordat hij/zij professioneel vuurwerk af mag steken.
Opleidingsinstituten kunnen op grond hiervan hun opleiding op dit gebied vorm geven, zodat op (naar verwachting korte) termijn in Nederland dit certificaat gehaald kan worden.
De certificering is in handen gegeven van de KIWA, die in nauw overleg is met de verschillende overheidsinstanties en branchevertegenwoordigers. Tevens is er een College van Deskundigen in het leven geroepen. De Colleges van Deskundigen zijn samengesteld uit:
oafnemers, opdrachtgevers en ontwerpers;
oproducenten en leveranciers;
oonafhankelijke deskundigen.

Colleges van Deskundigen hebben in het algemeen tot taak KIWA te adviseren over de gehanteerde certificatie-systemen; ze zijn betrokken bij het opstellen en het up-to-date houden van beoordelings-richtlijnen, eisen en onderzoekmethoden, en de te houden controlefrequenties. Daarnaast adviseren ze over het gebruik en de betekenis van certificaten en certificatiemerken.
Sinds 19 september jongstleden is de VPT vertegenwoordigd in het College van Deskundigen ‘Deskundig Toezichthouder Vuurwerk’, waardoor de vereniging in staat is mee te praten over de vorm en inhoud van de certificatie en dan met name inzake pyrotechniek in het theater.